maandag 29 december 2014

Gogo

Hoe werkt het, die bezwering in combinatie met de omhelzing die we normaal gesproken aanduiden met 'nostalgie'? Ik zie bij À gogo de muur voor de Brandenburger Tor met een paar pronte agenten ervoor. Maar daar gaat het niet om. Wat ons ervanaf én erheen leidt is Spandau Ballet. In een vriendschappelijk gebaar worden we gewaarschuwd tegen de muur, en, wat minder evident is, erheen teruggeleid.

De basis van dit gevoel moet liggen in het ritme. Ritme is verschil dat teert op de herhaling van het metrum. Zelfs de syncope is nog metrum, sterker nog, benadrukt het metrum door de klappen van het metrum te omspelen. Ritme zegt dat we de dialectiek van de taal tegenspelen door te doen alsof we de repliek wel horen maar dat die ons niet uitmaakt. We herhalen gewoon wat we al eerder zeiden.

De muur. De muur. The Wall.
Go. Go. Gogo.
Vandaag. Morgen weer, tot dan dan!

woensdag 26 november 2014

Contact van de een en van de ander

Ja, contactsport heeft altijd twee kanten. Bij voetbal bijvoorbeeld moet je in de herhaling goed kijken. Stak de pootjelapper zijn been iets te ver uit, of zocht de aanvaller tezeer het contact om opzettelijk te struikelen? In gewone situaties beoordeel je zoiets als onbeslisbaar. Maar wanneer beslisbaarheid of oordeel tot de afspraken behoort, dan wordt er altijd een oordeel geveld. Met alle dubbelzinnigheid die schuilt in de uitdrukking 'een oordeel vellen', het oordeel wordt neergehaald door de protesten die onvermijdelijk volgen.

En toch schuilt er een besef van rechtvaardigheid in veruit de meeste beslissingen der scheidsrechters. De protesten hebben slechts betrekking op een kleine minderheid der gevallen. Er sneuvelen slechts weinig scheidsrechters, zo weinig zelfs dat ze stille tochten uitlokken. Zoveel gaat er vreedzaam aan toe.

Wat is nu het aantrekkelijke van een contactsport, van een sport waar botsingen (squash) en mislukte slidings (voetbal) tot de orde der mogelijkheden behoren? Kun je niet beter naar de equivalenten badminton en voetvolleybal kijken? Misschien is de beweging die van de toeschouwer verwacht wordt bij een niet-contactsport te abstract. Hij moet kijken van links naar rechts en andersom. De bal is het teken van vergelijking en beslissing. Wie kan dat nog volgen, met alle terugvolgingen vandien?
De bal schiet tekort. Hij heeft zijn geheugen nodig om te scoren, de juiste afzender die bij de niet-contactsport altijd op afstand staat.

Nooit is er contact, inderdaad. Maar als dit toch al het geval is, laat dan de spelers maar net zo goed door elkaar lopen. Laat hen botsen, slidings opzoeken, vermijden en maken. Laat hun bijna totale ondoorzichtigheid gemaskeerd worden door de technische media. Laten we elke beweging laten gadeslaan vanuit zes camera's. Allemaal netzogoed.

zaterdag 22 november 2014

Tweede keus

John List is gedragseconoom. In de krant leggen ze uit dat hij onderzoek heeft gedaan naar economische en culturele prikkels. Zijn vrouwen van nature minder competitief dan mannen of hangt dat af van de prikkels die ze krijgen? List ontdekte dat het laatste het geval was. Hij ging naar Afrika en bezocht stammen waar vrouwen de baas zijn en stammen waar mannen de baas zijn. In beide gevallen vertoonden vrouwen competitief gedrag, mits er maar financieel voordeel mee te behalen viel.

List past zijn ideeën nu ook toe op onderwijs in achterstandswijken van Chicago. Als je kinderen betaalt zijn ze best bereid hun school af te maken. Bovendien bespaart de samenleving zich op die manier geld, omdat de kinderen zo niet in de criminaliteit belanden.

Waarom moet ik over die man zonodig een blog schrijven? Omdat me een ding erg in het oog sprong. Namelijk zijn typering van de geldoplossing als tweede keus. Mooier en beter is het wanneer kinderen uit intrinsieke motieven kiezen voor onderwijs. Maar als ze dat niet doen, dan is de hulp met financiële prikkels beter dan niets proberen.

Waarom is dat zo raar? Nou ja, raar is teveel gezegd, het is alleen maar schijnbaar raar. Want competitiviteit meet je in experimenten waarbij ook zoiets als tweede keus een rol speelt. Eerste keus voor de competitief ingestelde mens (m/v) is waarbij je meer kunt verdienen, zelfs als je het risico loopt niets te verdienen. Tweede keus is de beloning met een vast bedrag, dat minder hoog is dan de maximumbeloning bij de eerste keus.

Je kunt je dus afvragen of de beloning van schoolkinderen wel te maken heeft met competiviteit. Lopen de kinderen namelijk wel het risico minder te krijgen dan wanneer ze niet voor dat geld hadden gekozen? Komt het voorstel van List niet gewoon neer op salariëring van leerlingen? En leren ze op die manier zelfs niet de competitiviteit af?

Een van de filosofische problemen van List is bovendien gelegen in de intrinsieke motivatie. Kiezen leerlingen überhaupt uit intrinsieke motieven voor school? Speelt in elke nature-achtige oplossing niet ook altijd iets mee van nurture? Zo spelen er metafysische én pragmatische motieven een rol in de aanpak van List. Niet erg, want dat nodigt uit tot denken en leggen (uitleggen, inleggen, neerleggen, geleg). Zo zou je zijn aanpak ook kunnen zien als voorbeeld van geldmetafysica. Wanneer schoolkinderen puur gezien worden als investering in de samenleving, dan wordt geld middel en doel.

Noem je de investering tweede keus, dan roept dat indringend de vraag op naar de eerste keus. Wat is ons intrinsieke motief om kinderen les te geven zonder beloning, les als beloning? Waarom willen wij (inclusief List) als eerste keus handhaven dat kinderen intrinsiek voor het onderwijs kiezen? Tot zover hebben we deze prangende vraag ontweken door middel van de schoolplicht. Willen we die niet meer met geweld afdwingen, dan rijst de vraag naar andere middelen, én de filosofische vraag naar intrinsieke waarden.

Ook voor dat laatste dient zich in onze tijd een oplossing aan: de stichting van university colleges en de bloei van gymnasia. Zo laat je die kinderen zelf kiezen die zelf kunnen en willen kiezen. Resteert de vraag naar al die andere kinderen, die dat niet kunnen of willen. Voor hen staat List met zijn geldzak klaar. Vooralsnog is bij die kinderen de vraag naar intrinsieke motivatie, hoewel eerste keus, een louter filosofische.

zaterdag 11 oktober 2014

Automatisme

Wanneer het debat over Europa gaat, gaat het bij ons automatisch over de staten en de regio's versus Europa. Het gaat onmiddellijk over bureaucratie.

Afgelopen weken hoorde en las ik enkele politicologen (Moïsy, Holtslag) die Europa aanzwengelen vanuit de wereldpolitiek. Je krijgt dan automatisch een heel andere problematiek. Daarbij hoort ook een ander tijdsperspectief, de iets langere termijn.

Dat er weer aandacht is voor deze intellectuele stemmen heeft wellicht te maken met de oorlogen, met Rusland en IS. Ze staan klaar aan de randen van Europa om ons een lesje in nederigheid te leren, omdat ze ons arrogant vinden. Dat oordeel geldt uiteraard vooral Amerika. Hoe zit dat?

In een Russische krant las ik dat Europa vooral diplomatiek probeert te zijn, terwijl de Russen dat slechts oppakken als een zacht achtergrondgemurmel bij de luide stemmen van de Amerikanen. Zo wordt de vernedering van Europa gebruikt om indirect vooral de Amerikanen de les te lezen.

De oorlogsvoerders situeren zich in de geschiedenis dus in de ondergang van imperium Amerika. Die ondergang gaat slechts geleidelijk, en zal hoogstwaarschijnlijk noch de Russen, noch de islamisten aan de macht brengen. Denk eerder aan China. De bundeling van economische en militaire macht zorgt ervoor dat China over zo'n vijftig jaar dominant wordt in de wereld.

De oorlogen hebben in directe zin dus vooral regionale betekenis. Meer indirect onderstrepen ze het gezagsverlies van de oude machten en bereiden ze ons voor op de opkomst van de nieuwe machten.

Het zal steeds moeilijker worden het automatisme van de associatie Europa en bureaucratie vol te houden. Daarvoor hoeven we niet per se de intellectuelen te lezen. We kunnen ook naar het nieuws kijken of de angststemming in ons eigen land aanvoelen.


woensdag 1 oktober 2014

Leve de arrogantie!

Live uitzendingen beloven heel wat, maar in elk geval dat je bij iets bent dat goed of fout kan gaan. Maar echt fout gaat het nooit, anders hadden ze het wel niet live uitgezonden. Of ze laten er vijf minuten tussen, zodat ze alsnog kunnen ingrijpen.

Interessant in dit verband zijn voetbalwedstrijden van de Champions League. Die zijn live, en je riskeert een wedstrijd te zien met alle spelers achter de bal, waar dus niks gebeurt. Dat is natuurlijk wel arrogant, want ze laten opzichtig zien dat ze lak hebben aan de toeschouwer, aan jou.

Deze arrogantie is dan weer wel te prijzen. Ze leidt naar de doodsheid van het risicoloze spel dat ons niet kan bekoren, maar dat we ook niet kunnen uitzetten.

We wachten op het momentum, we wachten op het moment. Gaat de bal over de lijn, dan is het onze bal.

maandag 18 augustus 2014

Kijken in de journalistiek

Het is anders geweest dan dat ik bedoelde.
Ik heb het niet duidelijk onder woorden gebracht.
Het is anders overgekomen.

Ik houd het in mijn achterhoofd totdat het wel kan.
De waan van de dag maakt dat ik het nu niet kan uitzoeken.
We schieten onszelf in de voet, je moet ze te vriend houden.

Je bent er nooit bij als het overleg plaatsvindt.
Niemand wil je wat vertellen.
Wat is je betamelijkheid?

Het is een open deur, het hangt van de situatie af.
Wij kennen die sappige affaires niet.
Duidelijk maken dat het off the record is.



zondag 17 augustus 2014

Het priesterschap van Reinbert de Leeuw

Reinbert de Leeuw is een fanatieke zomergastkijker. Nu trad hij zelf op. Zijn optreden prikkelde mijn denken. Hier een poging om enkele tegenstellingen te benoemen en verder te brengen.

1. Stelligheid en mysterie
De Leeuw uit zich graag in stelligheden, en citeert ook graag die van anderen, zoals Stravinsky. Wat is de betekenis van deze voorliefde? In de muziek wil De Leeuw namelijk het mysterie bewaren. De stelligheden zijn dus niet bedoeld om de betekenis van de muziek bloot te leggen. Wellicht moet je zijn stelligheden zelf opvatten als mysteries.

2. Componist en uitvoerder
De Leeuw wil met zijn uitvoeringen zo dicht mogelijk bij de componist zelf komen. Hij wil de componist helemaal centraal stellen. Tegelijk wil hij dat de componist wordt uitgevoerd. Is het nu de uitvoering of de componist die centraal staat? En als nu eens de uitgevoerde componist centraal staat? Dan staat in feite de uitvoerder centraal, de uitvoerder die dienstbaar is aan de componist. In de praktijk is het lastig de verhouding componist-uitvoerder als een concurrerend centrum te zien. Beide zijn gestalten van een geheel, de componist en uitvoerder die in volstrekte eenstemmigheid optreden. Die eenstemmigheid moet liefst ook worden getoond. De regisseur heeft daarin een grote, zo niet bepalende rol. Zie de documentaire over Ustvolskaya. Die toont de volstrekte eenheid tussen Ustvolskaya en De Leeuw aan de hand van een scène in een park.

3. Les zonder leerling
De Leeuw wil dat de zomergast een samenhangend verhaal vertelt. Tegelijk richt hij zich tot de kijkers als een leraar die in een monoloog zaken duidelijk maakt. De inbreng van de leerling (gesprekspartner Wilfried de Jong) wordt geminimaliseerd. Er is ook zo goed als geen feedback of didactische dialoog. De beeldfragmenten krijgen de betekenis van illustraties bij de les. Het verhaal wordt verteld als les, maar de les bekommert zich niet om de leerling.

4. De eigen weg als ijkpunt
De Leeuw bewondert componisten die volstrekt hun eigen weg gaan en zich niets aantrekken van muzikale conventies. Tegelijk zijn deze componisten grote autoriteiten die de muziek bepalend beïnvloeden. Ze maken het hun opvolgers onmogelijk om volstrekt hun eigen weg te gaan. De componisten na Stravinsky kunnen niet anders dan schrijven in het licht van Stravinsky, terwijl ze anderzijds ook volstrekt hun eigen weg moeten gaan.

5. Controle en afgeschermde wereld
De Leeuw wil graag maximale controle houden over zijn uitvoeringen en zijn verhaal. Tegelijk bewondert hij mensen als John Cage, die de controle willen afbreken door zich uit te leveren aan toeval. Hoe verenig je beide keuzes? De Leeuw doet dat bijvoorbeeld door zichzelf Europeaan te noemen. Amerika en Europa zijn voor hem afgeschermde, begrensde werelden waarbinnen controle mogelijk is, en de andere wereld vanuit een afstand te bewonderen. Tegelijk kan De Leeuw niet anders dan Cage te zien als een componist die maximale controle uitoefent. Vandaar het belang dat De Leeuw hecht aan timing bij Cage. Cage werkt met een stopwatch en voert heel precies zijn stukken uit. Dat is voor De Leeuw van grote betekenis. Zo wordt ook de componist uit de andere wereld gemodelleerd naar de normen van de eigen wereld.

6. Muziek zonder luisteraar
De Leeuw luistert niet graag naar muziek. Hij wil die graag uitvoeren, omdat de muziek moet worden uitgevoerd. Het lijkt of de muziek volgens hem wezenlijk zonder luisteraar bestaat. Dat is niet vol te houden. De Leeuw lijkt zich dan ook te beroepen op een taakverdeling. De uitvoerder heeft tot taak om uit te voeren, de luisteraar om te luisteren. Beide worden gezien als ontvangers van taken en opdrachten. Je zou kunnen zeggen dat De Leeuw niet luistert naar muziek, maar naar een transcendente instantie die taken oplegt aan de componist, uitvoerder en luisteraar. De Leeuw luistert naar deze instantie en verkondigt haar aan de luisteraars.

Samenvattend kun je zeggen dat Reinbert de Leeuw een priester is die in alle nederigheid het brandpunt vormt waarin alle rollen en betekenissen samenkomen. Hij is geen God en geen volk, maar wel de ideale instantie waarin de dialoog tussen God en volk wordt gerepresenteerd en geregeld.

 

Vrede is een rommeltje

Hoe kan het toch dat we in onze wereldvisie steeds weer gepolariseerd raken? Wees blij, zei een vriend, nu is er tenminste iets om voor te v...