donderdag 1 januari 2015

Carpe punctum

Muziek doet zo ontzaglijk veel. Ze stuurt alle uitingen de juiste kant op, ze bezorgt alles bij de ultieme destinant.

Muziek is zo krachtig dat je ze ook kunt gebruiken om de betekenis in contrast ermee te peilen. Luister bijvoorbeeld naar Youp van 't Hek. Mooie Oudjaarsconférence, leuke grappen. Hij brengt een sfeerachtig of muzikaal contrast aan tussen zijn grappenseries en zijn serieuze boodschap. Het is waarschijnlijk de bedoeling dat het contrast beide elementen uit de verf laat komen.

Vanuit het oogpunt van de analyse blijkt de relatieve zwakte van Youps filosofie pas wanneer je het muzikale element eerst tot je hebt laten doordringen. Voor de analyse is ontnuchtering nodig, maar om te ontnuchteren moet je eerst zat zijn geweest.

Raar eigenlijk dat nooit iemand op het idee komt om de muziek of sfeer voor de analyse met negatieve voortekens in te zetten. Zo didactisch zijn we blijkbaar al geworden, dat we muziek alleen ter versterking van een al gegeven boodschap opvatten. Niet om de analyse te radicaliseren door de muziek pas in tweede instantie weg te laten en te kijken wat er overblijft.

Vat ik Youp na afloop van mijn analyse samen, dan zeg ik: geniet van elkaar en het leven zolang het kunt, carpe diem. Zo'n genot kan niet zonder de dood, de ongewisheid van het morgen. Daarom kun je Youps boodschap net zo goed andersom opvatten: memento mori, leer te sterven. En omdat dat niet lukt, zoek naar dat ene lichtpuntje dat je pas ontdekt na alle cynische uitkleding.

Broer Youp van 't Hek overleden

woensdag 31 december 2014

Het fragment en het kind

Zojuist hoor ik weer kinderen zingen in The Wall van Pink Floyd. Het is duidelijk dat die muur kapot moet. Teken des tijds van 1989? Welnee, Pink Floyd begon al veel eerder en het anarchisme was in full swing in de cultuur van de sixties. Ook filosofen deden er graag aan mee. Ze legden moeiteloos linken met de revoluties van Frankrijk en Amerika, en met Nietzsche. En als je aan diens hamer denkt schieten je al gauw Russische spreuken tebinnen: als je een omelet bakt, moet je eieren breken.

De kern van het modernisme is een bepaald vertrouwen in nieuwe constructies die van de grond af moeten worden opgebouwd. De consequentie is een bepaald anarchisme, minstens als overgangsfase, ruimte maken voor iets nieuws, dat dan zelf in essentie weer constructief is.

Iets anders is het om de volgende consequentie te trekken. Als anarchisme en constructie elkaar meer veronderstellen dan we dachten, moeten dan niet hun radicale verschijningsvormen worden begrensd vanuit een andere macht? Vandaar het verlangen om een begin te denken dat zich niet ontwikkelt voorbij een beginstadium. Zie het romantische geloof in het kind en het kinderlijke. Of, wat misschien op hetzelfde neerkomt, een afbraak die nauwelijks wordt opgemerkt, datgene respecteert wat het ongemerkt ondermijnt. Denk bijvoorbeeld aan de milde ironie.

Zo heeft de romantiek, vooral in zijn gedaante van de omhelzing van het fragment, een belangrijke voedingsbodem kunnen zijn voor het postmodernisme. Een fragment kan niet worden afgebroken, want het is zelf al restant van een breuk. En het kan niet worden uitgebouwd, omdat het dan geen fragment meer is.

De tragiek van het heden schuilt er misschien in dat het fragment het radicale modernisme (anarchisme en constructivisme) wel kan begrenzen, maar alleen als een randfenomeen, waarneembaar of niet. Het treedt soms zozeer samen op met wat het bevecht, dat het er angstig erg mee kan worden geassocieerd.

Zie bijvoorbeeld Knausgards reactie op Utoya. Hij bekent hoe graag hij Breivik ziet, een verlangen dat uitstijgt boven zijn medelijden met de slachtoffers. Menselijk al te menselijk. Het valt te rechtvaardigen vanuit ons verlangen dit monster te begrijpen, ex negativo. Het beslissende moment ziet Knausgard in de confrontatie van Breivik met een klein kind. Breivik had zich uitstekend geïmmuniseerd, in zijn voorbereiding, tegen het medelijden. Maar nu riep ineens een kind hem toe dat hij hem niet moest vermoorden. En Breivik gaf er gehoor aan.

De conclusie die Knausgard hieruit trekt is dat we geen afgeronde scenario's moeten volgen. We moeten onze scènes, onze beelden, denkbeelden of ideologie, laten onderbreken door de realiteit.

Elders heb ik geschreven hoe Knausgard zich heeft verplicht tot de onzekerheid, wat wellicht niets anders is als een motor en doel van zijn schrijven. Maar het rare is dat Knausgard zelf scènes construeert, waarin de realiteit ondergeschikt is gemaakt aan de vorm. Alleen bij dieper graven ontdek je die onzekerheid, de kracht ervan.

Een tweede manier om te zien hoe dicht monster en opluchting bij elkaar liggen is te zien hoe Knausgard eigenlijk Breivik zelf tot voorbeeld maakt. Breivik laat zich leiden door beelden, maar geeft gehoor aan de roep van het kind. Hij laat zich, hoe kort ook, onderbreken in zijn gruwelwerk.

Een derde manier om te zien hoe dicht we bij het modernisme zitten is door te luisteren naar de kinderen bij Pink Floyd. Ze brullen de zanger na en zingen over zichzelf alsof het over anderen gaat: 'Hey, teacher! Leave them kids alone!' Het kind is alles geworden: brick in the wall, kracht die de muur afbreekt, vertegenwoordigd en gegidst door de popartiest.

Kortom: het is moeilijk voor het fragment om fragment te blijven, zoals het voor het kind moeilijk is om kind te blijven. We willen het kleine graag klein houden, maar het groeit, woekert en verbindt zich onder onze handen tot iets groots.




maandag 29 december 2014

Gogo

Hoe werkt het, die bezwering in combinatie met de omhelzing die we normaal gesproken aanduiden met 'nostalgie'? Ik zie bij À gogo de muur voor de Brandenburger Tor met een paar pronte agenten ervoor. Maar daar gaat het niet om. Wat ons ervanaf én erheen leidt is Spandau Ballet. In een vriendschappelijk gebaar worden we gewaarschuwd tegen de muur, en, wat minder evident is, erheen teruggeleid.

De basis van dit gevoel moet liggen in het ritme. Ritme is verschil dat teert op de herhaling van het metrum. Zelfs de syncope is nog metrum, sterker nog, benadrukt het metrum door de klappen van het metrum te omspelen. Ritme zegt dat we de dialectiek van de taal tegenspelen door te doen alsof we de repliek wel horen maar dat die ons niet uitmaakt. We herhalen gewoon wat we al eerder zeiden.

De muur. De muur. The Wall.
Go. Go. Gogo.
Vandaag. Morgen weer, tot dan dan!

woensdag 26 november 2014

Contact van de een en van de ander

Ja, contactsport heeft altijd twee kanten. Bij voetbal bijvoorbeeld moet je in de herhaling goed kijken. Stak de pootjelapper zijn been iets te ver uit, of zocht de aanvaller tezeer het contact om opzettelijk te struikelen? In gewone situaties beoordeel je zoiets als onbeslisbaar. Maar wanneer beslisbaarheid of oordeel tot de afspraken behoort, dan wordt er altijd een oordeel geveld. Met alle dubbelzinnigheid die schuilt in de uitdrukking 'een oordeel vellen', het oordeel wordt neergehaald door de protesten die onvermijdelijk volgen.

En toch schuilt er een besef van rechtvaardigheid in veruit de meeste beslissingen der scheidsrechters. De protesten hebben slechts betrekking op een kleine minderheid der gevallen. Er sneuvelen slechts weinig scheidsrechters, zo weinig zelfs dat ze stille tochten uitlokken. Zoveel gaat er vreedzaam aan toe.

Wat is nu het aantrekkelijke van een contactsport, van een sport waar botsingen (squash) en mislukte slidings (voetbal) tot de orde der mogelijkheden behoren? Kun je niet beter naar de equivalenten badminton en voetvolleybal kijken? Misschien is de beweging die van de toeschouwer verwacht wordt bij een niet-contactsport te abstract. Hij moet kijken van links naar rechts en andersom. De bal is het teken van vergelijking en beslissing. Wie kan dat nog volgen, met alle terugvolgingen vandien?
De bal schiet tekort. Hij heeft zijn geheugen nodig om te scoren, de juiste afzender die bij de niet-contactsport altijd op afstand staat.

Nooit is er contact, inderdaad. Maar als dit toch al het geval is, laat dan de spelers maar net zo goed door elkaar lopen. Laat hen botsen, slidings opzoeken, vermijden en maken. Laat hun bijna totale ondoorzichtigheid gemaskeerd worden door de technische media. Laten we elke beweging laten gadeslaan vanuit zes camera's. Allemaal netzogoed.

zaterdag 22 november 2014

Tweede keus

John List is gedragseconoom. In de krant leggen ze uit dat hij onderzoek heeft gedaan naar economische en culturele prikkels. Zijn vrouwen van nature minder competitief dan mannen of hangt dat af van de prikkels die ze krijgen? List ontdekte dat het laatste het geval was. Hij ging naar Afrika en bezocht stammen waar vrouwen de baas zijn en stammen waar mannen de baas zijn. In beide gevallen vertoonden vrouwen competitief gedrag, mits er maar financieel voordeel mee te behalen viel.

List past zijn ideeën nu ook toe op onderwijs in achterstandswijken van Chicago. Als je kinderen betaalt zijn ze best bereid hun school af te maken. Bovendien bespaart de samenleving zich op die manier geld, omdat de kinderen zo niet in de criminaliteit belanden.

Waarom moet ik over die man zonodig een blog schrijven? Omdat me een ding erg in het oog sprong. Namelijk zijn typering van de geldoplossing als tweede keus. Mooier en beter is het wanneer kinderen uit intrinsieke motieven kiezen voor onderwijs. Maar als ze dat niet doen, dan is de hulp met financiële prikkels beter dan niets proberen.

Waarom is dat zo raar? Nou ja, raar is teveel gezegd, het is alleen maar schijnbaar raar. Want competitiviteit meet je in experimenten waarbij ook zoiets als tweede keus een rol speelt. Eerste keus voor de competitief ingestelde mens (m/v) is waarbij je meer kunt verdienen, zelfs als je het risico loopt niets te verdienen. Tweede keus is de beloning met een vast bedrag, dat minder hoog is dan de maximumbeloning bij de eerste keus.

Je kunt je dus afvragen of de beloning van schoolkinderen wel te maken heeft met competiviteit. Lopen de kinderen namelijk wel het risico minder te krijgen dan wanneer ze niet voor dat geld hadden gekozen? Komt het voorstel van List niet gewoon neer op salariëring van leerlingen? En leren ze op die manier zelfs niet de competitiviteit af?

Een van de filosofische problemen van List is bovendien gelegen in de intrinsieke motivatie. Kiezen leerlingen überhaupt uit intrinsieke motieven voor school? Speelt in elke nature-achtige oplossing niet ook altijd iets mee van nurture? Zo spelen er metafysische én pragmatische motieven een rol in de aanpak van List. Niet erg, want dat nodigt uit tot denken en leggen (uitleggen, inleggen, neerleggen, geleg). Zo zou je zijn aanpak ook kunnen zien als voorbeeld van geldmetafysica. Wanneer schoolkinderen puur gezien worden als investering in de samenleving, dan wordt geld middel en doel.

Noem je de investering tweede keus, dan roept dat indringend de vraag op naar de eerste keus. Wat is ons intrinsieke motief om kinderen les te geven zonder beloning, les als beloning? Waarom willen wij (inclusief List) als eerste keus handhaven dat kinderen intrinsiek voor het onderwijs kiezen? Tot zover hebben we deze prangende vraag ontweken door middel van de schoolplicht. Willen we die niet meer met geweld afdwingen, dan rijst de vraag naar andere middelen, én de filosofische vraag naar intrinsieke waarden.

Ook voor dat laatste dient zich in onze tijd een oplossing aan: de stichting van university colleges en de bloei van gymnasia. Zo laat je die kinderen zelf kiezen die zelf kunnen en willen kiezen. Resteert de vraag naar al die andere kinderen, die dat niet kunnen of willen. Voor hen staat List met zijn geldzak klaar. Vooralsnog is bij die kinderen de vraag naar intrinsieke motivatie, hoewel eerste keus, een louter filosofische.

zaterdag 11 oktober 2014

Automatisme

Wanneer het debat over Europa gaat, gaat het bij ons automatisch over de staten en de regio's versus Europa. Het gaat onmiddellijk over bureaucratie.

Afgelopen weken hoorde en las ik enkele politicologen (Moïsy, Holtslag) die Europa aanzwengelen vanuit de wereldpolitiek. Je krijgt dan automatisch een heel andere problematiek. Daarbij hoort ook een ander tijdsperspectief, de iets langere termijn.

Dat er weer aandacht is voor deze intellectuele stemmen heeft wellicht te maken met de oorlogen, met Rusland en IS. Ze staan klaar aan de randen van Europa om ons een lesje in nederigheid te leren, omdat ze ons arrogant vinden. Dat oordeel geldt uiteraard vooral Amerika. Hoe zit dat?

In een Russische krant las ik dat Europa vooral diplomatiek probeert te zijn, terwijl de Russen dat slechts oppakken als een zacht achtergrondgemurmel bij de luide stemmen van de Amerikanen. Zo wordt de vernedering van Europa gebruikt om indirect vooral de Amerikanen de les te lezen.

De oorlogsvoerders situeren zich in de geschiedenis dus in de ondergang van imperium Amerika. Die ondergang gaat slechts geleidelijk, en zal hoogstwaarschijnlijk noch de Russen, noch de islamisten aan de macht brengen. Denk eerder aan China. De bundeling van economische en militaire macht zorgt ervoor dat China over zo'n vijftig jaar dominant wordt in de wereld.

De oorlogen hebben in directe zin dus vooral regionale betekenis. Meer indirect onderstrepen ze het gezagsverlies van de oude machten en bereiden ze ons voor op de opkomst van de nieuwe machten.

Het zal steeds moeilijker worden het automatisme van de associatie Europa en bureaucratie vol te houden. Daarvoor hoeven we niet per se de intellectuelen te lezen. We kunnen ook naar het nieuws kijken of de angststemming in ons eigen land aanvoelen.


woensdag 1 oktober 2014

Leve de arrogantie!

Live uitzendingen beloven heel wat, maar in elk geval dat je bij iets bent dat goed of fout kan gaan. Maar echt fout gaat het nooit, anders hadden ze het wel niet live uitgezonden. Of ze laten er vijf minuten tussen, zodat ze alsnog kunnen ingrijpen.

Interessant in dit verband zijn voetbalwedstrijden van de Champions League. Die zijn live, en je riskeert een wedstrijd te zien met alle spelers achter de bal, waar dus niks gebeurt. Dat is natuurlijk wel arrogant, want ze laten opzichtig zien dat ze lak hebben aan de toeschouwer, aan jou.

Deze arrogantie is dan weer wel te prijzen. Ze leidt naar de doodsheid van het risicoloze spel dat ons niet kan bekoren, maar dat we ook niet kunnen uitzetten.

We wachten op het momentum, we wachten op het moment. Gaat de bal over de lijn, dan is het onze bal.

Vrede is een rommeltje

Hoe kan het toch dat we in onze wereldvisie steeds weer gepolariseerd raken? Wees blij, zei een vriend, nu is er tenminste iets om voor te v...