woensdag 13 januari 2016

Autoriteit als ervaring

Bij Agamben volgde ik het spoor van de politieke filosofie. Zo wist ik zeker dat ik aansloot bij Arendt, die daar graag de spits van haar filosofie wil aanbrengen. Politiek betekent voor haar een vorm van handelen, praxis. Die gaat echter nooit zonder spreken. Praxis is het spreken met de ander wat de hoogste vorm van handelen is, in gezamenlijkheid, die de mens kan bereiken.

Maar niet in het onderwijs en de opvoeding. Daar worden kinderen - al werkend - voorbereid op hun praxis. Werken is de realisering van een gegeven doel, en dat doel is dus praxis.


Haast ongemerkt zijn we in de taal beland, met dat spreken. Daar ligt de kern van de opvatting van autoriteit van Agamben. Autoriteit is de macht van woorden en vertellingen, zegt Agamben bondig. Toch is er ook een belangrijk verschil met Arendt. Zij voert autoriteit terug op de stichting van de cultuur, het begin en de geboorte. Toegepast op het onderwijs zit je dan wel met een probleem. Leerlingen zijn al geboren en stappen in een cultuur die zij zelf niet hebben gesticht, en spreken een taal die zij van anderen krijgen. Het kan best zijn dat ze zelf ooit stichters worden, maar zelfs dan nog doen ze dat binnen de taal van anderen.


Dat is overigens, lijkt me, ook een belangrijke boodschap van Vergilius in zijn Aeneis. De stichter Aeneas is afkomstig uit Troje en is dus erfgenaam van de stichter Teucer en van de nederlaag tegen de Grieken. De Romeinen kunnen zichzelf dus voorstellen dat ze stichters zijn, in werkelijkheid zijn ze overnemers. Daar komt ook nog bij dat ze de erfenis van de Etrusken verdoezelen. De traditie, zo zou je met ironie tegen Arendt kunnen inbrengen, is oorspronkelijker dan de stichting.


Die oude verhalen kun je prima lezen als avonturenverhalen. Maar Agamben maakt een onderscheid tussen avontuur en zoektocht, een queeste. Een queeste ziet alle buitengewone gebeurtenissen als aporie. Ze hebben uiteindelijk geen betekenis. Een avontuur is, zegt Agamben, in de moderne tijd de laatste toevlucht voor 'ervaring'. Het avontuur leidt niet naar de aporie maar naar ervaring. Misschien moet ik deze blogserie dan ook maar een avontuur noemen, dan heb ik meteen een tegenargument tegen lezers die denken dat er niets uitkomt behalve aporieën.


We kunnen op ons avontuur nu al meteen een tweede punt oogsten. Autoriteit volgens Agamben heeft behalve met taal ook te maken met ervaring. Niet voor niets was het vroeger belangrijk dat je ervaring had, en mensen met ervaring hadden bijna automatisch gezag. Dat is nu voorbij. Jongeren kennen geen gezag toe aan mensen vanwege hun ervaring. Autoriteit heeft tegenwoordig eerder te maken, volgens Agamben, met zaken die onzichtbaar zijn. Ook is er met onze ervaring iets aan de hand. We maken van alles mee, maar je kunt dat niet of nauwelijks ervaring noemen. Het duidelijkste voorbeeld is wanneer we langs een mooi beeld in een park of museum komen. We kijken daar niet meer naar, maar zetten het op de foto. We laten de techniek de ervaring overnemen.


Het is nog niet helder waarheen dat leidt (helaas voor de lezers die willen weten wat het punt is dat ik wil maken...). Komen we terecht in een wereld zonder ervaring, en zijn we niet allang in die wereld zonder dat we dat nog ervaren? Of verandert de ervaring doordat ze is overgenomen door de techniek? En daarmee ook de autoriteit, wanneer die althans nog steeds gebonden is aan ervaring?


Het is dus nog onhelder hoe die twee punten van Agamben zich tot elkaar verhouden, taal en ervaring, wanneer we die koppelen aan een diagnose van onze tijd. Agamben slaat hier zoals gewoonlijk aan het graven langs genealogische weg. Het verlies van ervaring is niet iets van vandaag of gisteren, maar vond ook lang geleden al plaats. Cruciaal is misschien Kant, de grote favoriet van Arendt, die dacht dat je via de rede uit de taal kunt stappen, dat je onafhankelijk van de taal kunt denken. Was dat zo, dan kon je ervaring funderen in het denkende subject. Maar dat subject is altijd al een instantie van de taal, in de taal. Daarom berust overigens, volgens Agamben, de hele psychologie op een misverstand. In de psychologie wordt het denkende en ervarende ik als substantie opgevat.

Is elke ervaring dan wezenlijk talig van aard, valt die samen met de verwoording ervan? Nee, dat nu ook weer niet. In het boek dat we nu volgen, Infanzia e storia (1978), worden we meegetrokken in het spoor van de taal, met name Il linguaggio e la morte van zes jaar eerder, waarin ons wordt duidelijk gemaakt dat de taal altijd verdeeld is tussen wat je zegt en het feit dat je iets zegt. De taalwetenschap gaat over het eerste, de filosofie over het tweede, zal Agamben in een later essay verduidelijken. Maar uiteraard is er een samenhang tussen beide. Die samenhang wordt het duidelijkst in de ervaring. In de ervaring spreekt de mens nog niet, is hij, in goed Latijn, in-fans (denk aan enfant). Agamben:
In terms of human infancy, experience is the simple difference between the human and the linguistic. The individual as not already speaking, as having been and still being an infant - this is experience. (IH, 58)
Korter gezegd: ervaring betekent dat je nog niet spreekt, nog niet in de taal bent. Laat het aan Agamben over om het spoor van de taalwetenschap en filosofie op te pakken vanaf een eeuw geleden en zijn inzicht daarin in te schrijven. De naam Benveniste is hierin erg belangrijk. Hij legde de nadruk op de tegenstelling tussen taal en de betekenis die taal krijgt wanneer we die in een bepaalde situatie inbrengen. Het is precies die tegenstelling waarin de infanzia voor ons oplicht:
Because of his infancy, because he does not speak from the very start, man cannot enter into language as a system of signs without radically transforming it, without constituting it in discourse. (IH 63)
We begrijpen nu ook beter waarom de benadering van Arendt te kort door de bocht was. Wanneer we kinderen opvoeden, gaat het er niet om, aan hen de wereld over te dragen zoals we die ons zelf hebben eigengemaakt, opdat zij die zelf verder vormgeven, in verantwoordelijkheid. Al voor dat moment gebeurt er van alles, wordt de taal en daarmee de wereld getransformeerd. Intreden in de taal kan niet zonder infanzia, en infanzia is ondenkbaar zonder taal, verwoording, transformatie van de taal.

Het kon zijn dat we deze betekenis van het spreken, van het feit van de taal, vooral toeschreven aan filosofen. Maar filosofen hebben alleen toegang tot het feit van de taal via de infanzia, de toestand waarin kinderen zich bevinden zodra ze zich de taal eigenmaken.

Okee, fijn gezegd, maar wat hebben we hieraan? Wat betekent deze ontdekking, de infanzia, voor de verheldering van autoriteit in het onderwijs? Desnoods volgens Agamben?

Het betekent, als ik het goed begrijp, maar ik zit zelf ook zoals iedereen deels in de infanzia, dat we moeten afrekenen met twee gangbare voorstellingen. De eerste: vaak wordt leren opgevat als voorbereiding op het echte leven, lees Arendt. Het is een situatie waarvoor we een einddatum afspreken, of een beslissing die volwassenen nemen om nog wat zaakjes verder te ontwikkelen. Daarna begint het echte leven, we treden binnen in de taal van de volwassenen, met hun verantwoordelijkheid en werk. We hoeven dan alleen nog maar toe te passen wat we hebben geleerd. Autoriteit heeft hier de volwassene.

De andere voorstelling is dat er geen wezenlijk verschil is tussen leerling en volwassene. Beide doen een beroep op hun intrinsieke motivatie om de taal te spreken, telkens op een nieuwe, unieke manier. Autoriteit heeft in deze voorstelling de cultuur, gerepresenteerd door kind en volwassene. De leraar zet de leerling aan het werk, de leerling vertelt de leraar hoe hij moet inloggen en een Whatsapp-groep moet aanmaken. De lamme helpt de blinde, de blinde de lamme.

In de filosofie van Agamben krijgen we weer meer oog voor educatie als een situatie waarin we ons altijd al bevinden. We bevinden ons in een verandering of overgang ergens tussen twee polen, als kinderen die bezig zijn ons een taal te verwerven, en in die verwerving veranderen we de taal. Herhaling en vernieuwing gaan hand in hand, het een gebeurt nooit zonder het ander.

Verderop in zijn boek beschrijft Agamben in het spoor van Lévi-Strauss een paar machines waarmee we die herhaling en vernieuwing steeds realiseren. Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen. Voor nu is het voldoende om een nieuwe bepaling van autoriteit te geven.

Autoriteit berust in de infanzia, de ervaring die zijn weerslag vindt in woorden en verhalen. Wie autoriteit wil verwerven, vertelt een verhaal waarmee hij appelleert aan de ervaring van de ander.

Hoe die ervaring er uitziet na het tijdperk van de selfies, dat zou ik u nog niet durven te zeggen. Of liever, ik kan het alleen maar zeggen door te spreken, in infanzia. En dat is wat ik nu doe, onder uw ogen.

http://www.selfiepods.co.uk/wp-content/uploads/2014/10/G1C7GGO90002_PNK_4.jpg



 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ons donkere randje - Jan Leyers en de Europese islam

Van mijn collega klassieke talen kreeg ik Allah in Europa van Jan Leyers cadeau. Als ik boeken cadeau krijg, lijkt dat soms op een spelletj...