zaterdag 6 februari 2016

Meer dan denken - Kees Meijlink over onderwijs

Kees Meijlink was vroeger een van de studenten theologie tegen wie ik opkeek. Ze schreven scripties over de grote Franse filosofen, hadden een passie voor politiek en Kees had daarnaast ook nog eens een anarchistische inslag. Zijn scriptie ging, als ik het me goed herinner, over de cinema-boeken van Deleuze.

Daarom was ik een tikje teleurgesteld toen ik die grote namen - Deleuze, Foucault, Nietzsche, Levinas - niet tegenkwam in zijn onderwijsboek. In plaats daarvan de naam Taylor. Dat wil zeggen: de filosoof van het goede leven. Deugden. Levenskunst. Tsja.

Maar in tweede instantie kan ik dit boek ook zien als een kans om eens te overdenken waarom mijn vroegere leraren en vrienden toch zo zijn warmgelopen voor het goede leven. Mijn inschatting is het dat ze zich langs deze weg beter konden positioneren in het Nederlandse institutionele landschap. Filosofie is lastig en heeft al snel het odium ook nog eens onnuttig te zijn. Al denkend raak je van de regen in de drup. Met de levenskunst kun je die filosofie niet alleen redden maar ook nog eens aantrekkelijk maken.

Je kunt ook zeggen dat het denken wordt gered omdat het wordt verkocht via het doen. Het reflecteren leidt tot een betere vormgeving van je leven. Zo verenigen we schijnbaar onverenigbare lijnen in de Nederlandse cultuur. De strakke vormgeving van Mondriaan, de individuele ethiek van de dominee, de pragmatiek van het politieke overleg en de maximalistische doelgerichtheid van de ondernemer: vliegen is de bedoeling.

Ik zal de laatste zijn om kritiek te hebben op deze al te begrijpelijke switch en beken met gemak mijn afgunst. Toch zal ik Kees Meijlink (en andere levenskunstenaars en deugdethici) niet volgen. Niet alleen omdat ik het geluk heb in een vrije positie te verkeren waarin ik het nut van mijn denken niet hoef te demonstreren. Belangrijker lijkt me te laten zien dat er onder de levenskunst-ethiek een structurele instabiliteit ligt die pas kan worden overdacht wanneer we teruggrijpen op de radicalere filosofen. En omdat ik me bij deze blogserie heb verplicht aan Agamben zal ik deze weer gebruiken als zijlicht.

Allereerst de houding. Het is een van de drie componenten van de competentie, naast kennis en vaardigheden, en de meest verwaarloosde. Bij houding kun je meteen al aan Aristoteles denken, aan wat hij hexis noemt, en wat we beter kennen onder de naam habitus, bijvoorbeeld bij Thomas. Houding is bij uitstek de component die stabiliteit verleent aan de gerichtheid op het goede. Uiteindelijk is de ethiek gericht op goede daden. Maar een enkele daad kun je pas goed noemen wanneer hij wordt herhaald en past in de samenhang van het goede, gelukkige leven. Daarom werd in de eudaimonistische ethiek de houding de inzet, niet de goede daad.

Nu is er nooit een garantie te geven dat de houding inderdaad leidt tot de goede daad. Daarom vraagt de ethiek altijd om aanvullende stappen. Dat kunnen we in detail nalezen in Opus Dei van Agamben. Uiteindelijk heeft de kantiaanse ethiek zich kunnen ontwikkelen uit het thomisme via de tussenstap van de sacramententheologie. Een sacrament is werkzaam, ook wanneer de voltrekker ervan geen waardig leven leidt. 'Ex opere operatum' luidt de uitdrukking. Onder dit gesternte wordt de houding een wezenlijk instabiele factor. Aan de ene kant neigt hij tot een ontologische interpretatie, waarin het hele zijn, inclusief de voltrekker en de gevolgen, worden geaffirmeerd. Aan de andere kant lost de verhouding op in een pure verplichting die juist wordt gedacht rond een kloof met het zijn.

In de tegeltjeswijsheid van Meijlink zien we deze instabiliteit terug. Kinderen kunnen vliegen, maar ze moeten wel worden geholpen. Maar niet elke hulp leidt tot het gewenste effect. De 'houding' is nu enerzijds de naam voor het vliegen zelf, anderzijds de naam voor de mogelijkheid om te vliegen, een mogelijkheid die er altijd al was. De hele last om deze ontologische kloof te dichten komt nu te liggen op de schouders van de docent. Die daarnaast ook nog eens filosoof moet worden, filosoof die zichzelf weer moet uitwissen om de overgang naar levenskunstenaar te kunnen voltrekken. Etcetera.

We raken hier zijdelings aan het thema van de zelfuitwissing van de docent, zoals die aan de orde gesteld is door Hannah Arendt en onlangs door Gerd Biesta. Dat kan uiteraard iets heel moois opleveren. Zien we de beschrijving van Dewey door Meijlink, dan zien we een levensvorm:
Democratie (en daar was onderwijs op gericht) beschreef hij niet zozeer als een vorm van politiek, maar als een vorm van samenleven waar iedereen tot zijn recht moet kunnen komen. (p.17)
Hier zouden we kunnen denken aan de levensvorm van bijvoorbeeld de Franciscanen zoals die door Agamben is geprezen. Waar de kerk het hele leven probeerde te stellen in het teken van de liturgie, werd hier de liturgie omgevormd tot leven. De kern was 'het gebruik der dingen' (usus facti) dat geleidelijk verstrengeld raakte in de juridische machinaties van de theologen van Parijs en van de Paus. Maar nog steeds is het mogelijk de beginfase van de Franciscaanse orde te zien als levensvorm, een vorm van het leven zelf.

Bij nader inzien blijkt het bij Dewey niet om de directe realisering van de levensvorm als doel te gaan. Het gaat om een leerproces. Leerlingen zijn er aan het leren hoe ze moeten samenleven. Dat leerproces neemt de vorm aan van een levensvorm. Het is dus een vorm van een vorm, zou je kunnen zeggen. Formalistischer kan haast niet. De betekenis van deze vorm wordt via zijn doelgerichte structuur afhankelijk gemaakt van de democratie zoals die in de werkelijkheid buiten de school bestaat. Op de kleine schoudertjes wordt de hele last van de grotemensenwereld gestort opdat wij volwassenen weer een voorbeeld hebben zonder dat we dit zelf hoeven te leven.

Agamben heeft de opvoeding met verwijzing naar Levi-Strauss beschreven als een onderhandelingsproces. Ook Dewey en Meijlink spreken van onderhandeling. Maar bij hen zijn het de kinderen die onderhandelen. De volwassenen organiseren, kijken toe en leiden de onderhandeling naar de gewenste uitkomst. Zij weten al wat democratie is en weten daarnaast ook dat die behoorlijk in het slop zit tegenwoordig. Zij spelen de rol van de doden en delegeren de opvoeding aan docenten of, nog radicaler, aan de kinderen zelf.

De levensvorm staat onder deze voorwaarden niet meer garant voor stabiliteit, maar voor schijnbare stabiliteit, de stabiliteit van de schijndood. Volwassenen gebruiken deze beelden van de ideale school niet om zich te verhouden tot hun eigen kind-zijn ('infanzia') of hun sterfelijkheid, noch om hun cultuur levend te houden door die te vernieuwen. In werkelijkheid stellen ze de overgangsrituelen buiten werking en sluiten ze zich op in hun taal. Positiever gezegd: ze zijn betrokken in een 'experimentum linguae',  een experiment waarin ze ontdekken dat ze talige wezens zijn. Dat inzicht kan weer leiden tot nieuwe ervaringen en een andere cultuur.

Meijlink sluit met zijn pleidooi voor levenskunst ook aan bij de tendens het onderwijs en het hele leven te esthetiseren. We zien die tendens ook terug in de titel van Biesta die het risico in navolging van Caputo iets 'prachtigs' noemt. Ondanks alle onderliggende blokkades die ik hierboven heb aangestipt blijft de onderwijsfilosofie kennelijk in de ban van de idee van omvorming naar het model van Daedalus en Icarus. Dat valt deels te verklaren uit de Nederlandse cultuur waar iets als mooi moet worden aangeprezen om de verkoop te bevorderen. In die onderhandeling zou dan een ethisch doel schuilgaan dat heimelijk wordt meegegeven.

Ik vrees echter dat de esthetica niet alleen als onwezenlijke buitenkant van de onderwijsfilosofie wordt opgevat, maar als de wezenlijke kern ervan. De ethiek heeft immers de levenskunst tot doel, en het kunstwerk wordt zo het voorbeeld waarnaar het hele denken en de hele praktijk zich moet richten.

Nu sluit Meijlink zijn boek af met citaten van Epictetus, de beroemde Romeinse filosoof van het handboekje. Hier lijkt de esthetica nog zijn betekenis te ontlenen aan een omvattende filosofie waarin het hele leven doortrokken is van de rede. Het gaat er niet om dat we het leven mooi maken, het is al perfect van zichzelf. De vormgeving staat nog geheel in teken van de bevestiging van het leven zoals het gebeurt.

Hier denk ik meteen terug aan Deleuze met zijn immanentisme. De citaten van Epictetus kun je stuk voor stuk lezen als inspiratiebronnen van de Franse filosoof die het leven wilde bevestigen zonder een beroep te doen op enige transcendentie.

Je kunt echter diezelfde citaten stuk voor stuk lezen als regels die zijn geschreven door bedrijfspsychologen die graag hebben dat je het leven leuk blijft vinden omdat je daardoor meer bijdraagt aan de economie. Net zoals je Seneca kunt lezen als radicaal levensfilosoof en als een mooi discours over de moordpartijen die mede in zijn naam en met zijn rechtvaardigingen plaatsvonden.

Daarom denk ik dat het boek van Kees Meijlink is geschreven door twee ghostwriters. Ze hebben los van elkaar een boek geschreven en wonderlijk genoeg kwam er honderd procent hetzelfde boek uit. De ene schrijver wil het onderwijs radicaal veranderen omdat er niets van deugt. Hij herinnert ons aan Montessori die het kind niet wilde plooien naar de wil van volwassenen maar hem serieus wilde nemen. De andere schrijver houdt van het leven zoals het is, inclusief het onderwijs. Hij wil zijn liefde met ons delen en schakelt de filosofie in om ons nog beter te laten kijken en onze liefde te vergroten.

Kees aanvaardt zijn rol in dit groteske toneelstuk dankbaar. Je kunt beter niet vragen wie de auteur ervan is. Zoals Epictetus ons adviseert:
Bedenk dat je als een toneelspeler een rol hebt te vervullen in een toneelstuk, dat de dichter voorschrijft. Wil hij een kort stuk, dan is het kort. Wil hij een lang stuk, dan is het lang. Geeft hij je de rol van bedelaar, speel hem dan goed, net als een kreupele of een vorst of een gewoon burger. Jouw taak is het de rol goed te spelen. De rol kiezen is het werk van een ander. (p.162)
Het lijkt alsof hier de Kees Meijlink van de autonomie nattigheid voelt, de Kees, de oude anarchistische Kees, die wil voorkomen dat zijn filosofie geschreven is door een concrete ander, een Romeinse keizer of dictator. Hij is bereid te onderhandelen en levert zijn autonomie graag in tegen de invoeging in een zeer complexe omvattende orde, waarvoor hij waarschijnlijk nooit ter verantwoording zal worden geroepen. Daarom voegt hij aan Epictetus een opmerking toe:
(opmerking: de ander, net als bij de gever in II, is een metafoor om te verwijzen naar de natuurlijke orde, die niet in onze macht ligt.)
 http://oudheid.clubs.nl/afbeeldingen/album/6637240/Nero+en+Seneca.jpg




Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ons donkere randje - Jan Leyers en de Europese islam

Van mijn collega klassieke talen kreeg ik Allah in Europa van Jan Leyers cadeau. Als ik boeken cadeau krijg, lijkt dat soms op een spelletj...