zaterdag 15 februari 2020

Schoonheid door decadentie - La grande bellezza in herhaling

Rome kan niet zonder decadentie. Het kan best zijn dat de oude keizers het niet zo bont bakten als Suetonius en Tacitus ons wilden doen geloven. Maar dan zegt het toch misschien wel iets dat wij die leegte zo graag zien. En dat is niet per se positief bedoeld. Ik ben opgevoed met de Limburgse uitdrukking 'Doe bis mich ooch unne leage', waarbij leag gelijkstaat aan verachtelijk. Gisteren volgde ik mijn oude docent Joop Smit in zijn ervaring van leegte als hij langs de drukke weg Rome binnenwandelt. Vandaag probeer ik nog een stapje verder in die leegte te duiken, voordat ik morgen weer het echte Rome betreed, onder het motto Quo vadis.

De decadentie kleefde Rome wellicht al aan vanaf de stichting. Of zelfs van ervoor, als we Vergilius tot ons door laten dringen. Aeneas mag dan wel loyaal zijn gebleven aan de goden en zijn opdracht om de huisgoden van Troje naar Italië te brengen, daarachter ligt de suggestie dat hij in Carthago de vrouw van zijn leven in de steek laat en daarmee de mogelijkheid diverse oorlogen te voorkomen. Voor Romeinen lag evenals voor Grieken de Gouden tijd in het verleden, en kon het in de toekomst alleen maar minder worden. Optimisme onstaat wanneer iemand belooft de oude deugden van eeuwen eerder te laten herleven, zoals Augustus, niet doordat hij iets nieuws brengt. Res novae is de naam voor oproer en wanorde.

Wil je de eeuwige stad zien zoals ze is, dan moet je die decadentie dus voor lief nemen. Dat is wat eigenlijk pas goed tot me doordrong toen ik La grande bellezza de tweede keer zag. Jep Gambardella kan wel mopperen op alles en iedereen, hij is tegelijk onze gids, onze Vergilius door het purgatorio van Dante. Voor mij opent zich nu de vraag naar de toerist, het thema dat ook Leonard Pfeijffer in zijn roman bezighield, zij het met andere antwoorden. Wat betekent het dat in deze film de toerist tot belichaming van de zuiverheid wordt verklaard? Vorig jaar had ik er moeite mee de positie van toerist in te nemen. Wel vermoedde ik toen al dat ik langs die weg een ervaring van armoede kon opdoen, al klinkt dat gek bij alle comfort en oppervlakkigheid. Vergeleken met thuis heb je veel minder nodig, je roept af en toe het nummer dat je in de groep bent, je keft hoestend jezelf wakker, veel meer heb je niet.

Ook Sorrentino is in de ban van de armoede. Hij eindigt er zijn film mee, als de oude zuster Maria Rome bezoekt en uitlegt waarom ze zo gesteld is op het eten van wortels. Wortels zijn belangrijk voor het leven, (of zoiets,) zegt ze tamelijk nietszeggend. Met haar laatste krachten beklimt ze op haar knieën de Scala Sancta. Eigenlijk doet ze daarmee wat ook de favoriete bezigheid is van onze scholieren: trappen opgaan, al is het niet op hun knieën, (maar vorig jaar wel een leerling met krukken) om ergens een hoog punt te bereiken, waarbij ze wellicht een bepaald soort schoonheid verwachten, die van het panorama. Denk ook aan Mulisch, die zijn ontdekking van de hemel via diezelfde Heilige Trap laat verlopen, ook al door gymnasiasten.

Maar die schoonheid dus. Niets lijkt zozeer verbonden met uiterlijk vertoon en decadentie. Toch is het waar Jep naar op zoek is, werkelijke schoonheid in plaats van afleidende bijzaken. Als een oude vriend hem meeneemt naar een stripclub waar diens dochter danst, dan is Jep echt niet geïnteresseerd in het schouwspel dat de kijker wel ziet. Hij wil het als een kans zien om echte interesse te tonen in die dochter, die hij de dagen erna op sleeptouw neemt. De suggestie dringt zich op dat Jep zelf de echte schoonheid gaat zien als hij die aan Ramona toont: docendo discimus. Daarbij is er tussen de regels door al een les geleerd: als je je leven in het teken van schoonheid stelt, dan mag je je niet hechten. Ramona verdwijnt na een paar dagen ook weer ongemerkt uit de film.

Het conflict spitst zich nu toe op de wortels. Is de geleerde les van de onthechting niet in strijd met de les van de oude zuster Maria, die alleen nog maar op worteltjes knabbelt? Welke diepere les zit er verborgen in deze tegenspraak? De zuster lijkt iets heel verstandigs te zeggen over haar armoede: 'Over armoede spreek je niet, daar moet je in leven.' Wij op onze beurt kunnen haar zelfs als ze dit zegt niet anders zien dan als een oude Sibylle met wijze lessen. Het is dan ook tegelijk belachelijk en waar zoals haar woordvoerder reageert: 'Prachtig gezegd!'

We zouden ook kunnen zwenken naar het Symposion van Plato, waar eveneens een wijze vrouw optreedt, die Sokrates lessen leert over liefde en armoede. Maar liever kijk ik de slotscènes nog eens, want Sokrates heeft zelfs in Symposion niet het laatste woord (maar de dronken, decadente Alkibiades). Jep keert terug naar de plaats waar lang geleden zijn vriendin hem haar borsten toonde. Daarna verliet ze hem, terwijl haar latere echtgenoot aan Jep vertelt dat zijn vrouw van Jep hield, niet van hem.

Ik leer dus de volgende les. Jep wil graag wortelen in zijn leven, dat hoe dan ook het leven van het decadente Rome is. Zijn schrijverschap is een truc zoals zijn vriend een truc gebruikte om een giraf te laten verdwijnen uit de thermen van Caracalla. Jep weet pas op het eind dat de echte schoonheid zeldzaam is, en verborgen ligt onder het eindeloos gebabbel, het blabla. De dood is zijn helper geworden. Hij is minder geïnteresseerd in afleiding en wil meer doordringen tot de essentie.

'Waarnaar hebben we zitten kijken?' zou Matthijs van Nieuwkerk nu nog kunnen vragen. Is de film ook een truc, evenals ons schoolreisje morgen? Jazeker, zoiets heb je nodig, want er kan altijd een moment komen dat je meer wil, meer dan de plaatjes, het gebabbel, de schijn. Van onder die deken kan er altijd iets opduiken, zelfs in Rome. Een gids is dan geen overbodige luxe, Maria, Jep of wie ook.

Afbeeldingsresultaat voor jep gambardella

vrijdag 14 februari 2020

Joop Smit lezen - Voorbereiding op Rome?

Leiden alle wegen naar Rome, of is het andersom? Over een paar dagen ben ik in Rome. Ineens verander ik in een verzamelaar van vooral e-books, en ik wil nog snel Italiaans leren. In de lijsten van de bibliotheek online treft me de naam van een docent van vroeger, Joop Smit. Hij vertelt in zijn boek zoals zovelen over zijn voetreis naar Rome, en daarnaast ook naar Santiago en Jeruzalem. Smit is een type die het helemaal niet erg vindt dat hij zo gewoon is. Het bescheiden voetstuk waarop hij stond, als docent en priester, verlaat hij zelfs nog, en hij wordt gewoon een oude man met een rugzak.

Achteraf bezien had Joop Smit op mij een enorme invloed. Hij deed namelijk aan close reading. Dat klinkt ook alweer zo gewoon, want is niet elk lezen close reading? Bovendien hing Smit een bepaalde benadering aan, de 'receptieanalyse'. De betekenis ontstaat meer in het lezen dan in het schrijven. Het hangt voor mijn gevoel nauw samen met retorica, want de lezer probeert die lezer natuurlijk vooral te overtuigen omdat hij ook wel aanvoelt dat die de betekenis evenzeer bepaalt als hijzelf, of nog meer. Mede dankzij Smit heb ik een enorm vertrouwen in het volgen van een tekst, op zoek naar details en verbindingen die niet kunnen worden gereduceerd tot bedoelingen en context, maar die bovenal mijn avontuur vormen, mijn weg.

Laat ik er nog een schepje bovenop doen, qua invloed op mij. Het boek dat we met een klein groepje theologiestudenten lazen was eigenlijk een brief, de Galatenbrief van Paulus. Die Paulus is geen sympathiek figuur, en tijdens het lezen werd dat alleen maar erger. Hij beriep zich op zijn relatie met Jezus die hij nooit had gezien in conflict met diens discipelen, en probeert hen te overdonderen met bezwerende taal. Pas veel later las ik de boeken over Paulus van Badiou en Agamben, het startpunt overigens van de filosofische weg waarop ik me nu bevind. Daar gaat het evenmin om de vraag of die Paulus nu wel sympathiek is of niet. Ik lees het boek van Agamben als een extreme close reading van het begin van de Romeinenbrief, waarbij je doorkrijgt dat al onze ideeën over universaliteit, zeg maar ons politieke humanisme, in de lijn liggen van Paulus, en tegelijk door hem al van een extra laag zijn voorzien waarmee we ook nu nog ons voordeel kunnen doen.

Even terug naar Smit. Die had niets met filosofie, hij zoekt liever de stilte en het mysterie. Het is een eenvoudige man. Hij liet zich deels meevoeren met het aggiornamento, realiseert zich ineens dat dit deels neerkomt op conformisme, aanpassing aan een samenleving die ironisch genoeg zelf weer nieuwe levensvormen zoekt. Toch wil Smit niet terugvallen in conservatisme. Hij blijft liever onderweg, en lijkt dus zijn bestemming te hebben gevonden in zijn rol als pelgrim. Tijdens het lezen miste ik een beetje de oude Smit, de lezer, de nauwkeurige lezer. Pas als hij bijna in Rome is, vergelijkt hij zijn wandeling met een spannend, goed boek dat je bijna uit hebt. Je bent blij met dat boek en vindt het jammer dat het bijna uit is, en je weet al dat je in die leegte aan het vallen bent. De oplossing ligt voor de hand natuurlijk, gewoon weer een nieuwe tocht maken.

Lopend langs het vreselijke laatste stuk langs een drukke weg, voegt Smit er nog een interessante gedachte aan toe. Rome is niet het doel, maar een middel. Normaal kom je deze gedachte in een iets trivialere vorm tegen: niet het doel, maar de weg is het doel. Ja, maar wat is dat doel dan wel? Een middel dus. Ik herken deze gedachte in mijn rol als docent. Cijfers zijn voor leerlingen heilig, en juist daarom hanteren wij docenten die cijfers als middel om de leerlingen te motiveren. Rome is dus ook zo'n middel. Niet zelden kiezen leerlingen voor het gymnasium mede omdat ze dan naar Rome mogen. Onze schoolleiding begrijpt daar niets van, en nu is de Romereis een keuze die ook openstaat voor niet-gymnasiasten. Dat kun je ook wel positief duiden: de magie van Rome straalt zelfs uit naar niet-gymnasiasten, de verplichte toets over Rome hebben ze vol overtuiging gemaakt.

Inmiddels zijn we in de filosofie beland. Het doel is eigenlijk een middel, en het middel, wandelen naar Rome, is het doel. Doel en middel zijn nu zo grondig verward dat we ons uitgeleverd voelen aan
een mysterie waarin we de essentie niet meer kunnen onderscheiden. Agamben heeft er een oplossing voor bedacht die hij zowel bij Aristoteles als bij Paulus terugvindt, het gebruik. Paulus: vraag je niet af of je slaaf moet blijven of vrij mens moet worden, maar maak gebruik van de toestand waarin je je bevindt. Mijn toestand: beetje ziek nog, docent, op weg naar Rome, maar ook lezer. Ik lees comfortabel mee met Joop Smit en hef de tegenstelling op tussen wandelen en lezen. Close reading, in real time, en de lezer heeft het laatste woord, en wel door te lezen.

Afbeeldingsresultaat voor via trionfale


  


vrijdag 7 februari 2020

Praten zonder wollen draadje - Kennismaking met Harari

Harari vult ons brein, of hackt hij het? Hoe dan ook, ik heb slecht naar mijn wiskundige broer geluisterd die me Harari al aanraadde, en nadat mijn wiskundige collega me er nog eens op wees, kwam ik er steeds moeilijker onderuit. Ik keek in elk geval maar even naar de uitzending waardoor ik gisteravond alvast met mijn biergroepje kon meepraten.

Ook las ik een oudere, kritische column van filosoof Ger Groot over Harari. Groot leest filosofen die ik ook lees, zoals Derrida, zodat ik Harari beter zou kunnen plaatsen. Eigenlijk vind ik dat nogal laf van mezelf. Je moet met open vizier zelf luisteren, en liefst zelfs zonder vizier, het is verdorie geen oorlog of afrekening. Bij deze beloof ik u dat ik in de serie Ideeën over Harari zal schrijven nadat ik hem heb gelezen. Lezen is wel het minste wat je moet doen als je in gesprek over een filosoof wil gaan.

U kent mijn ongeduld, en daarom hier al een poging een punt te stelen naar aanleiding van de uitzending bij Van Dis.

Dat punt lijkt ogenschijnlijk op dat van Ger Groot. Die ergert zich eraan dat dingen als nieuw worden gepresenteerd die eigenlijk al heel oud zijn. Maar daarmee komt hijzelf toch ook weer dicht in de buurt van een aanbeveling van Harari zelf. Je moet het verleden bestuderen, niet omdat dit zich herhaalt (dat doet het namelijk bijna nooit), maar om de speelruimte te vergroten die je voor de komende decennia nodig hebt bij alle aanvallen op onze vrijheid.

Ik verschil dus (nu al!) van mening met Groot, omdat ik me niet erger aan Harari en het op dit punt voor een groot deel met hem eens ben. Wel zou er een probleem kunnen opduiken als je die speelruimte beter wil begrijpen. De geschiedenis herhaalt zich niet, maar het is waarschijnlijk wel zo dat we bewegen binnen kaders die lang geleden zijn vastgelegd, en dat we ons bij het zoeken van de speelruimte rekenschap moeten geven van die kaders. Maar goed, dat begrijpt Harari ook wel, hij stort zich niet voor niets op de religies.

Het punt waar ik meer van verwacht is dat we nu aanlopen tegen de ontdekking dat ons hoofd wordt gevuld, bezet, gekoloniseerd, of met een nog modieuzere term: gehackt. Van Dis maakte er al grapjes over in zijn programma, hij moest zijn hoofd niet scheef houden want dan liepen de ideeën er weer uit. Maar zijn suggestie was duidelijk: Van Dis vond het fijn, zelfs fascinerend, dat zijn brein was gehackt door Harari. Dat maakte het ook weer makkelijker om naar de fles te grijpen. Als we ons laten vollopen met ideeën en alcohol zijn we eindelijk van die verdomde hersencellen af die ons zo hinderen.

Toch kan Harari dat nooit zo bedoeld hebben. Hij zocht juist naar speelruimte voor vrijheid, dus ik neem aan dat Van Dis een belangrijk punt heeft gemist.

Misschien brengt het enige verheldering als ik u de associatie noem die ik bij dat vollopen had. In het boek Symposion van Plato wordt verteld hoe de filosoof Sokrates met anderen op bezoek gaat bij vrienden, en weer eens veel te laat komt, als het eten al half op is. De gastheer Agathon heeft eerder een prijs gewonnen voor een tragedie die hij had geschreven. Als hij Sokrates ziet, zegt hij: 'Hierheen, Sokrates! Kom naast mij liggen! Door u aan te raken kan ik dan ook mijn voordeel doen met de knappe vondst die u is ingevallen.' Sokrates reageert met zijn gebruikelijke ironie: 'Agathon, dat zou wat moois zijn, als geleerdheid iets van dié aard was dat ze, zodra we elkaar aanraken, van de vollere in de legere ging overvloeien, net zoals water in bokalen dat door middel van een wollen draadje wordt overgeheveld van de vollere in de legere. Als het ook zo met geleerdheid staat, dan heb ik er veel voor over om naast u aan te liggen: want dan, denk ik, zal ik me van u uit vol laten lopen met een massa heerlijke geleerdheid.'

Maar gaat het wel om ironie? Is Sokrates erop uit om Agathon op het verkeerde been te zetten zodat hij hem met judotactiek omver krijgt met minimale inspanning? Ik denk het niet. Agathon is een tragediedichter, en Sokrates is als filosoof niet alleen maar tegen tragedies. Vaak wel, maar niet altijd. Soms zoekt Sokrates of zijn leerling Plato naar contact met verhalen, of gebruikt hij zelf verhalen, zoals ook in dit geval, met de vertelling over het symposion, het drinkgelag. Het ligt dus veel complexer dan dat. Het wollen draadje is dus misschien een misplaatste metafoor. Het gaat er niet om dat we kiezen voor het volste brein en daar onze techniek op afstemmen. Het gaat erom, om in de gesprekken samen te ontdekken waar ruimte is voor eros en voor nadenken.

Daar mag ook best drank bij, zoals gisteren met mijn biergroep. Of we maken, zoals Harari zelf, ons hoofd regelmatig leeg. Het gaat niet om de middelen waarmee we een bepaald doel bereiken, maar om ruimte te ontdekken voor liefde (eros) en voor nadenken. Het gaat met andere woorden om een houding. Kan zijn dat Plato dat ooit al heeft bedacht en dat wij dat met of zonder Harari weer opnieuw aan het ontdekken zijn, maar dan weer anders. Maar als ik die man binnenkort ga lezen, zal ik daar dus op letten, op mijn houding en wat hij me erover kan leren, voor de 21e eeuw.


Afbeeldingsresultaat voor water via draadje


zaterdag 10 augustus 2019

Wat te doen? Het proletariaat van de schrijvers

Wie schrijft die blijft. Maar alleen zijn naam. En verder alles van voldoende kwaliteit. Hoe langer je schrijft, zo blijkt maar weer, hoe meer mitsen en maren.

Zo af en toe komt er een gewetensvolle schrijver of recensent met een morele taakopvatting. Hij vindt het maar niks dat zomaar iedereen alles neerkwakt op het toetsenbord zonder dat er een Kritische Redactie in alle kleuren overheen is gegaan.

En zo kan het gebeuren dat de spontane schrijver, onder wie ook ondergetekende, gebukt gaat onder angsten. Heb ik voldoende kwaliteit? Nee, al teveel afwijzingen gehad in mijn leven. Heb ik voldoende ambitie? Nee, een blogje per keer vind ik al erg bevredigend. Heb ik voldoende respect voor de lezer? Nee, de lezer zoekt het zelf maar uit.

Er moeten vast meer mensen zijn zoals ik. Ze schrijven maar wat raak, ze geven de dingen desnoods met eigen geld uit, of ze gebruiken internet. Misschien schieten ze net als ik tekort op alle drie genoemde punten. Dan ligt daar dus ruimte voor een stukje herkenning.

Zouden we al voorzichtig kunnen spreken van een nieuw proletariaat? Het proletariaat van de schrijvers die maar wat schrijven?

Het wordt een hele klus om dat te organiseren. Er komen dan heel veel kwesties bovendrijven, geleidelijk of meteen al. Ik verwacht bijvoorbeeld dat de Facebookberichters zich tekort gedaan voelen omdat ze buiten de boot van dit nieuwe proletariaat dreigen te vallen. Andere potentiële bedreigde groepen zijn de schrijvers in dictaturen die het zomaar wat schrijven graag zouden willen, maar niet eens kunnen zonder in de gevangenis te belanden. En dan heb je daar nog de schrijvers die beroepsmatig bezig zijn. Ze worden in hun inkomsten bedreigd door lui zoals ik, of potentieel in de toekomst.

Ik zal je zeggen: zonder enige dreiging is er geen sprake van proletariaat. Er moet wel enige dreiging van uitgaan. En dan moet ik dus meteen al op mijn woorden passen, want dreigementen dreigen altijd uit te hand te lopen. Het is in laatste instantie misschien de taal zelf die dreigt, nog los van wat ik ermee wil.

Het wordt nu zaak dit stukje in de hand te houden voordat er slachtoffers vallen.

Persoonlijk denk ik dat er een vorm van denken nodig is, denken over een vorm van schrijven waarin dat schrijven zichzelf beteugelt. Dat scheelt een hoop ellende. Ik zou dit stukje kunnen beteugelen door steeds te checken bij de kliks of er niet teveel lezers zijn. Schrijven kan, zolang het geen beweging wordt. Het was schrijven zomaar, weet u nog?

En laten we een ding afspreken. Nadat u dit stukje uit hebt, klik het dan weg en vergeet het. U heeft het niet gelezen, ik heb het niet geschreven.

Afbeeldingsresultaat voor schrijversbond



zaterdag 1 juni 2019

Ons donkere randje - Jan Leyers en de Europese islam

Van mijn collega klassieke talen kreeg ik Allah in Europa van Jan Leyers cadeau. Als ik boeken cadeau krijg, lijkt dat soms op een spelletje. Ik mag raden naar de gedachten erachter, achter het boek en achter de gift. Zo zou ik kunnen nadenken over de impliciete link met de klassieke talen. Het zegt dan weinig dat die in dit boek niet voorkomen. Het impliciete is een kracht die extra effectief kan zijn juist in zijn onzichtbaarheid. Ik zou die verkenning starten vanuit het 'Europa' in de titel. Stel je voor dat jij Allah was, en plotseling in Europa terecht kwam. Een ding weet je zeker: alles moet volgens plan verlopen. Ik zou beginnen met het uittekenen van een route, zodat de volger vanaf het begin weet waar hij uitkomt. Dat is ongetwijfeld Brussel.

Wie Europa zegt, zegt de klassieke oudheid. We zitten namelijk ook meteen midden in de Odyssee. Ook de held van dat verhaal weet al dat hij bezig is aan zijn thuisreis. Onderweg gebeurt er van alles. Een beetje anders gaat het daar. Het korte stukje duurt een stuk langer dan gepland, en als Odysseus aan land komt moet hij nog een oorlogje uitvechten. En o ja, hij moet zich vermommen.

Jan Leyers (introductie onnodig) heeft zo'n vermomming niet nodig. Hij gaat gewoon als zichzelf. Ook zijn gesprekspartners vermommen zich niet. We zijn dus vanaf de eerste bladzijde getuige van een ongewone transparantie. Iedereen is eerlijk. En dat lijkt helemaal vanzelfsprekend. Op tv was dat nog verwonderlijker, daar kun je je niet verschuilen achter de interpreterende opmerkingen die we in het boek wel zien. What you see is what you get.

Ja, er is wel een uitzondering, de vrouwen van wie je het gezicht niet mag zien. Dat heeft echter niets met eerlijkheid te maken. De maatregel is bedoeld om de man niet in verleiding te brengen. Leyers heeft daar moeite mee. Zo agressief is hij toch niet naar vrouwen? Hij spreekt van 'het nadeel van de twijfel'. Zo gaat hij toch haast ongemerkt een beetje anders naar zichzelf kijken. Ineens is hij een 'man', deel van een collectief. Ik zou graag meer willen weten van deze werkelijke of potentiële gedaanteverandering.

Maar Leyers beschikt over het vermogen om zijn blik gericht te houden op de wereld. Af en toe schakelt hij terug naar zijn verleden, zoals wanneer hij de islamitische school in Rotterdam vergelijkt met de katholieke school uit zijn jeugd. Maar we komen er niet goed achter wat die school voor Leyers zelf betekent. En zo ontstaat er gedurende de lezing van dit dikke boek de indruk dat ook Jan Leyers gesluierd is.

Ogenschijnlijk heeft Leyers de sluier al afgelegd bij de ondertitel: 'Het reisverslag van een ongelovige'. Niets is zo vijandelijk voor een moslim als een ongelovige. De Koran zegt dat je ongelovigen moet doden. Als die moslim het gesprek aangaat met buitenstaanders en zich wil aanpassen aan Europa, spreekt hij liever van 'andersdenkenden'. Maar Leyers zelf kiest er juist dan uitdrukkelijk voor zichzelf 'ongelovige' te noemen. Het wordt zoiets als een geuzennaam. Maar hij voert geen strijd tegen de moslims, en dus is 'ongelovige' ook geen geuzennaam. Verkondigt Leyers dan zelf iets? Nee, hij is reiziger en journalist.

Lezen we de achterflap, dan worden we eraan herinnerd dat Leyers ongelovige was op zijn zeventiende. Hij geloofde 'rotsvast dat de toekomst van Europa er een zou zijn zonder religie'. Duiken we in het boek, dan zien we dat Leyers in zijn jeugd nog op een andere manier gelovig was. Dat was precies toen hij van het christelijk geloof viel. Een godsdienstleraar probeerde de klas duidelijk te maken dat de christelijke liefde niets te maken heeft met het 'Love, love, love' van de Beatles. Maar dat was nu juist de liefde waarin de jonge Jan geloofde! Exit christendom, intrat 'ongelovige'. Ja, tussen aanhalingstekens, want blijkbaar geloofde Jan in de liefde van de Beatles, en het kan goed zijn dat hij die liefde nooit is kwijtgeraakt.

Liefde verdraagt zich slecht met planning. Maar om een tv-serie te maken moet je nu eenmaal plannen. Dat hebben de Beatles destijds ook moeten doen. Zij kwamen terecht in Hamburg waar ze tientallen optredens gaven. Leyers is zich daarvan zeer bewust als hij zelf Hamburg aandoet. In die popmuziek zit een paradox. Je zingt 'Yesterday', maar dat zing je bij elk gepland optreden. In die zin is de liefde een sluier. We zouden die sluier kunnen definiëren als de poëtische stemming of toon die je nodig hebt om de ander niet op het verkeerde been te zetten. De ander zou kunnen denken dat Leyers een journalist is die de moslims als gevaar en spektakel ziet. Maar door zich bewust  als 'ongelovige' te presenteren doet hij alsof hij geen toerist en journalist is. Hij is een mens, een menselijke mens die een eerlijk, spontaan en transparant gesprek voert met de desbetreffende moslim. Ja, er staat toevallig wel een camera bij te draaien. Maar ook dat is wel zo eerlijk en verhoogt de transparantie.

Nu we het toch over muziek hebben, laten we twee dingen niet vergeten. Ten eerste dat het oor voor muziek tot een van de vele kwaliteiten van Leyers behoort. Immers zelf popmuzikant. Ten tweede: ook bij de gesluierde medemens blijft dat oor volop functioneren. Leyers praat behalve met de mannen ook met de moslimvrouwen en zeker in het boek kun je vergeten dat ze gesluierd zijn. In een bepaald opzicht is er dus sprake van sluierverwisseling. De gesluierde Leyers praat met de ongesluierde moslimvrouw. Zou het kunnen, vraag ik me af, dat we hier raken aan een inzicht dat je makkelijker met je oren bereikt dan met je ogen? Als dat waar is, is de term inzicht al een ongelukkige metafoor. Liever zou je moeten spreken van een verhaal of toonzetting.

Een fascinerende paradox kom je op het spoor wanneer je niet alleen de ogen maar vooral ook de oren van Leyers volgt, in combinatie met zijn denkvermogen (je vergeet voortdurend dat Leyers ook nog filosoof is). Leyers is in Hamburg en bezoekt er een Koranwedstrijd. De Iraanse banneling Jafar Jafari is aan de beurt:
'Jafar heeft een verbluffende techniek en produceert zelf de wegstervende echo's aan het eind van een woord door de laatste lettergreep te herhalen terwijl hij zijn hoofd in schokjes van de microfoon wegdraait. Ik sluit mijn ogen en word meegevoerd naar een zongeblakerd dorp in de Arabische woestijn, waar de oproep tot het gebed als een natuurgeluid klinkt en bij het landschap hoort zoals het tsjirpen van de krekels bij de Provence of het ruisen van de zee bij de Normandische kust. Onderweg naar Mekka vertelde iemand me ooit dat in die betoverende klank de geheime aantrekkingskracht van de Koran ligt en dat zevende-eeuwse bedoeïenen huilden toen ze hem voor het eerst hoorden reciteren.' (383)
Muziek is haram. Maar ik heb nog niet goed begrepen wat dat eigenlijk betekent. Wel kom ik nu op de gedachte dat westerse muziek haram is omdat ze de aandacht wegleidt van de oorspronkelijke betovering, de permanent wegstervende klanken van de Koranrecitatie. Leyers hoort de chromatiek en 'meanderende krullen die oosterse muziek vaak zo ongrijpbaar maken'. Als hij op bezoek gaat bij christenen die uit een moslimomgeving komen, is de muziek volkomen anders, met westerse toonladders, en een machtig middel om het enthousiasme bij de vieringen te verhogen.

Ongrijpbaar.... maar Leyers kan het tot op zekere hoogte vatten doordat zijn gesprekspartner erover vertelt, via de herinnering zelfs aan wat er is vertelt. Het is de echo of resonantie die zijn werk doet. Zelfs in Hamburg, waar de moslims wettelijk via de minaretten tot gebed mogen oproepen, maar dit nalaten om geen ergernis te wekken. De echo dus die doorklinkt in de stilte.

Ook het geluid zet ons vaak op het verkeerde been, zeker ook bij moslims, vooral van Arabische afkomst. Hun klanken komen hard over. De tegendemonstratie is gauw georganiseerd. Bij ons zie je vaak het omgekeerde. De genuanceerde intellectueel roept op tot onvervalste haat en weigert zich te verdiepen in de wereld van onze medemensen.

Temidden van deze klanken baant Jan Leyers zich een weg. Hij moet zorgen dat hij niet bedreigend overkomt en belandt in de paradox dat hij zich moet voordoen als wie hij is, een 'ongelovige' die kijkt, luistert en ruikt aan zijn gesprekspartners. Hij is moderne verlichte Europeaan. Dat betekent dat hij te werk gaat volgens de redelijkheid die streeft naar het esthetische oordeel. Planmatigheid betekent volgens Kant in het geval van de geschiedenis dat je je oordeelsvermogen moet gebruiken, omdat je er met je zuivere verstand niet bij kunt. Het eindoordeel van Leyers over zichzelf na de gesprekken: 'realist met een donker randje'. Hij heeft alle extremen, kleuren, tonen en richtingen gezien.

Ik zou graag diepgaander kennismaken met de filosoof Jan Leyers. Maar is de essentie van het oordeelsvermogen nu juist niet dat het op leegte berust? De toerist en journalist lopen langs alle bezienswaardigheden en komen thuis, moe en voldaan, tikje ongerust. De filosoof in Leyers is ook een soort beest, een instinct dat zich roert. Ik meende dat te voelen toen hij in Zweden belandde, het land dat in zijn politiek lange tijd het meest de hippiementaliteit belichaamde die het meest intens het (stille) geloof van Leyers beleed. Het was taboe om over de schaduwkanten van de islam te praten, omdat je daarmee de lieve vrede verstoorde. Maar dat is nu juist ook de reden bij uitstek waarom de populisten daarmee oneindig willen afrekenen, waarop Leyers reageert door in alle rust op verkenning te gaan.

Maar ook hier, temidden van die verstoorde vrede, geeft de filosoof Jan Leyers te denken. Wanneer Zweden de lieve vrede belichaamde die tot de huidige polarisatie heeft geleid, dan heeft Zweden op een bepaalde manier de islam erg goed begrepen. Ook daar ziet Leyers, in zijn werkelijke of gespeelde onbevangenheid, de lieve vrede als centrum van het wereldbeeld. Leyers spreekt in Londen met de beruchte sjeik Haitham al-Haddad die hem uitlegt dat het in de islam niet om liefde gaat:
'"In de islam gaat het niet zozeer om liefde, et gaat om het tonen liefde, en dat is genade. Als twee mensen van elkaar houden maar hun liefde nooit laten zien, zal de relatie niet werken. Omgekeerd, als ik niet van mijn vrouw houd, moet ik haar dan iedere dag vertellen: schat, ik hou niet van je, je beseft toch hoezeer ik niet van je hou?"
Ik schiet in de lach.
"Het zou niet werken," gaat de sjeik onverstoorbaar door. "Wat moet ik in zo'n situatie dan wel doen? Ik moet haar liefde betonen, hoewel ik die liefde vanbinnen misschien helemaal niet voel. Maar de situatie wordt er wel leefbaar door."' (250)
Hier raakt misschien het geloof van Leyers in de liefde van de Beatles aan dat van de beruchte sjeik Haitham, die ooit in De Balie verkondigde dat de straf voor overspel door vrouwen steniging is. Nee, geen verdachtmaking. Ik zoek nu eenmaal graag totdat ik stuit op een donker randje. Ons donkere randje.

Afbeeldingsresultaat voor toeareg


woensdag 29 mei 2019

Op de Posbank - Verder denken over groen en rood

Opeens schoot me vandaag een gedachte te binnen. Zo'n gedachte waarvan je je afvraagt waarom je die niet al meteen had. Het gaat nog steeds om de samenhang tussen rood en groen. Daarover ging het bij de Europese verkiezingen. De Groenen wonnen, het Rood van Frans Timmermans won. Maar in de weken vooraf bleek dat beide partijen akelig dicht bij elkaar kwamen, groen en rood.

Ik was in mijn vorige blog blijven steken in de gedachte dat rood en groen zo veelduidig zijn dat de kleuren momenteel staan voor zowat alles aan de linker en rechterzijde. De SP overlapte sterk met de PVV in Europavijandigheid en kreeg daar eenzelfde rekening voor gepresenteerd. FvD kon zich aan de malaise onttrekken door noch rood noch groen te opteren, maar ik vermoed dat ze deze optie alleen maar kunnen vasthouden wanneer ze rood en groen laten oplossen in schimmigheden en rookgordijnen. Wilders kon zijn spel spelen door te choqueren, maar dat spel stierf aan inflatie. Baudet kan vluchten in pseudo-intellectualisme. Maar achter deze mist duiken vroeg of laat toch weer groen en rood op.

Wat ik over het hoofd had gezien was de move die ik door Agamben in zijn recente boek over het Rijk en de Tuin zag beschreven. De tuin staat model voor de wereld in zijn mooie gedaante. Maar al heel vroeg werd de tuin geïnterpreteerd als metafoor voor de menselijke ziel. Al in de klassieke tijd zou dan - als ik Agamben goed heb kunnen volgen - een soort overgang van groen naar rood zijn voltrokken. Niet de natuur of de wereld staat centraal, maar de politieke gemeenschap.

Agamben signaleert dat de menselijke natuur sinds Augustinus naar het model van de Tuin wordt gezien, zij het in negatieve zin, als datgene wat we voorgoed hebben moeten verlaten. Via de erfzonde komen we uit bij het pessimisme als overheersende stemming ter linkerzijde. De gedachte die Agamben niet noemt, maar die wel voor de hand ligt, is dat de mens nu in al zijn slechtheid ten grondslag ligt aan het bederf van de Tuin. Niet alleen van zichzelf als metafoor van de tuin, maar ook van de ecologie. Lees de boeken van Ten Bos over het antropoceen en extinctie, en je ziet een soort calvinisme voor je dat ons model is - vooral in de linkse politiek - om over de natuur te denken. De natuur gaat naar de knoppen omdat we uit de natuur verdreven zijn vanwege onze zondigheid, maar onze zonde nog willen overtreffen door ook nog eens die natuur op te zoeken en die naar de knoppen helpen.

Het zou de moeite waard zijn te overdenken of een andere visie op de Tuin (paradijs, ecosystemen etc.) ook in metaforische zin opgevat als de menselijke ziel,  een uitweg biedt uit ons calvinisme. We komen dan, vermoed ik, al gauw uit bij een paradox. De mens die de natuur vernietigt is in wezen goed, niet slecht. Hij vernietigt de natuur, en precies daarin ligt de kans om eindelijk weer toegang te krijgen tot zijn goedheid, en tot de natuur.

Ik zie nog niet concreet voor me hoe dat gestalte kan krijgen. Mijn eerste gedachte gaat nu naar Pos die met zijn auto de natuur in reed en zijn naam verleende aan de Posbank. Het is een prachtig stukje natuur, een paradijs. Steeds wanneer we die natuur aan gort rijden met onze dampen, en steeds wanneer we die bomen kappen om er kale heide voor terug te krijgen, duikt er weer een nieuwe mogelijkheid op om van de natuur te houden. Daar zitten we dan, bij het paviljoen, met uitzicht op het begroeide dak en die prachtige ideeën. Allemaal dankzij G.A. Pos, oud-voorzitter van de ANWB.

Wanneer zullen we ooit toe zijn aan deze paradox? Als mijn gedachtegang hierboven klopt, is het vooral ons calvinisme wat ons tegenhoudt deze paradox te verkennen en binnen te stappen. De mens is slecht, dat staat voor de calvinisten buiten kijf. De liberalen vinden die slechtheid een vereiste om de economie draaiende te kunnen houden, de groenen betreuren die slechtheid. Maar als de mens nu niet slecht is? Dan komen er nieuwe kansen voor groen en rood links. We nemen plaats op de bank van Pos die er nog steeds staat en genieten van het uitzicht, tot en met de AVR-afvalverwerking langs de A12 die je daar kunt zien.

We komen uit bij de poëtisering van de natuur. Er is iets in de natuur wat ons ertoe brengt om haar te poëtiseren. Ook als de natuur sterft zijn we nog in staat om daar de schoonheid van de zien.

We komen akelig dicht in de buurt van het fascisme. De Nederlandse landschapsarchitecten ontwierpen de A1 en de A12 onder inspiratie van Duitse ontwerpers. Het landschap is wat vanuit de auto opduikt en ons overweldigt. We willen het te vuur en te zwaard verdedigen tegen vreemde indringers, waarbij we voor het gemak vergeten dat wij zelf die indringers zijn, in onze auto's over ons asfalt.

Het gaat er dus om vanuit de menselijke goedheid een politiek te denken die niet loopt in de valkuil van de esthetisering. De schoonheid is er wel, maar we ontdekken die pas als het te laat is, als het asfalt er al ligt. De enige kans om die schoonheid te ontdekken is als we naar het verleden kijken. We zien het landschap zoals het was, en worden daardoor gedreven om de auto te laten staan en fietsend de Posbank te beklimmen, en te strijden voor biodiversiteit.

Dat is wellicht de zin van die miniatuurlandschapjes bij Nijmegen, neergelegd door de Vereniging voor Cultuurlandschap, waar ik vorig jaar doorheen mocht lopen. Het merkteken van de gedeësthetiseerde politiek is de melancholie. We genieten van het landschap dat er niet meer is en kunnen ook niet serieus geloven dat dit landschap nog terugkomt. Maar we klampen ons vast aan dit bloempje en dat beestje. Aan die heg die we veroveren op de gemeenteplannen. Zo krijgt alles weer betekenis.

Groen en rood. Via de tuin veroveren we weer stukjes van onszelf die ons in relatie brengen met de mens die deel uitmaakte van de natuur. We groeten elkaar zoals boeren elkaar groetten als ze van het land kwamen. We gaan op de bank zitten en nemen de stand van zaken eens door, vanaf een beschouwelijke afstand. Daarna gaan we weer ons weegs.

Naamgever: dé Posbank

donderdag 23 mei 2019

Rood en groen - In principe eenvoudig!

Kun je nu zeggen: rood, dan dus ook groen? En natuurlijk ook andersom... Bij de Europese verkiezingen worden beide kleuren in een adem genoemd. Vertaald naar rechts: je bent tegen het toelaten van migranten (rood) en wil ook niet opdraaien voor de kosten van milieubeleid (groen) en bent voor de vrijheid van grote bedrijven om niet te worden lastiggevallen met belastingen (rood, maar ook groen).

Het is een groot thema, iets te groot om hier te doen alsof ik er even een gedachte op kan loslaten die de lezer verder helpt. Maar mijn eerste bedoeling is met deze blogs om mezelf verder te helpen, en er zullen vast wel even grote dommeriken bestaan als ik die net als ik een gedachte willen opperen over de samenhang tussen rood en groen.

Stellen we en passant vast dat we in de media over die samenhang niets vernemen. Het gaat daar over losse thema's, als het al over thema's gaat. Het gaat voornamelijk over partijen en personen, winnaars en verliezers.

Het meest voor de hand ligt dat je vanuit rood bij groen uitkomt. Dat is denk ik ook wel de historische volgorde. Je bent burger, en ineens word je rood. Je bekommert je om je werknemende medemens. Dat kan om nobele motieven, of uit berekening, omdat je de macht van die medemens in je nek voelt. En er kunnen belangen in het spel zijn, je wordt rood omdat je zelf meer macht wil hebben, als arbeider of kleinburger. Later komen er geluiden dat het kapitalisme, toch de macht tegenover je, ten koste gaat van de natuur. Ook daar die dynamiek van eerst medeleven, later eigenbelang, naarmate die natuur zozeer wordt bedreigd dat we er zelf last van krijgen.

Er is ook altijd een sterke hang naar groen geweest vanuit het conservatisme en liberalisme. Denk aan Scruton met zijn pleidooi voor de vossenjacht. Mijn groene neven maakten me erop attent. Dankzij Scruton (overigens betrokken bij de promotie van Baudet) raken burgers betrokken bij de politiek met alle aspecten vandien. Vanuit de belangen van hun regio. Even grof schematiserend kunnen we zeggen dat het lastiger is om van groen naar rood te redeneren dan van rood naar groen.

Bij nader inzien kun je zowel vanuit rood als vanuit groen uitkomen bij rechts, bij standpunten die we aan de rechterflank met consensus bejegend zien. Groen: de zuiverheid van de eigen natuur met het eigen landschap. Bescherming tegen vreemde invloeden en exoten. Rood: de opstand van de kleinburgerij en de arbeiders tegen de betutteling door de elite, de al dan niet aangeprate vrees voor de buitenlanders die op jouw baan uit zijn. Zo bezien kom je vanuit groen en rood evengoed bij rechts uit dan bij links.

Ik denk dat er rond deze verkiezingen enigszins sprake is van een gepolariseerd klimaat. De extremen worden aantrekkelijker, je bent ofwel voor Forum ofwel voor Groenlinks. Maar in de commentaren werd de polarisatie gezien als oorzaak van de hogere opkomst. Politisering betekent dus grotere betrokkenheid.

Mijn eerste exercitie loopt dus niet uit in heldere lijnen. Toch heb ik er nog steeds vertrouwen in dat ik al denkend en lezend bij die heldere lijnen uitkom. Alles spreekt ervoor. We stemmen en horen de analyses. In de debatten komt men niet nader tot elkaar. In een volgende overdenking hoef ik dus alleen maar de lijntjes samen te trekken en dan kom ik uit bij de echte redenen waarom we vanuit rood en groen bij onze standpunten komen.

Afbeeldingsresultaat voor red green


Vrede is een rommeltje

Hoe kan het toch dat we in onze wereldvisie steeds weer gepolariseerd raken? Wees blij, zei een vriend, nu is er tenminste iets om voor te v...