donderdag 16 juli 2015

Etappe 13 - Tourvrienden

Het is moeilijk te zeggen of ik een vriend van de Tour ben. Ja, natuurlijk wel, want anders schreef ik deze blogs niet. Maar ik volg de Tour niet echt. Gisteren schakelde ik pas in op het laatste stuk van de Aspin en heb mijn best gedaan de koers te volgen. Nu worden mijn blogs zelf de aanleiding om dat te doen. Wie weet ben ik afscheid van de Tour aan het nemen. En via de Tour afscheid van mezelf.

Dat zou tegelijk wel eens de essentie van vriendschap kunnen zijn. 'Probeer te zeggen', zei Derrida weleens, "We zullen elkaar zien sterven". Probeer het eens te zeggen. Het is de onmogelijke zin.'

Dat is natuurlijk onmogelijk, maar die onmogelijkheid van vriendschap is voor een filosoof als Derrida geen probleem. Integendeel. Een mogelijke vriendschap kan niets voorstellen. Dat is een vriendschap naar het model van, een vriendschap die geregeld is door iets van buitenaf. Dan kun je beter van collega's spreken, van broederschap of van huwelijk.

Ben ik een vriend van Derrida? Ik moet bij deze vraag terugdenken aan de tijd dat ik aan het Centrum voor Ethiek in Nijmegen werkte. Er was een deels openbare discussiereeks georganiseerd met Derrida en een aantal filosofen die ik kende. De filosofen zouden de rol van hun favoriete filosoof spelen en alleen Derrida mocht zichzelf spelen. Mijn collega Paul van Tongeren speelde uiteraard Nietzsche.

Toen ik voor een akkefietje op zijn kamer was, vroeg hij me: 'Anton, jij leest Derrida. Heb jij een idee wat ik tegen Derrida kan zeggen over Nietzsche en vriendschap?'

Het boek Politiques de l'amitié was al enige tijd daarvoor verschenen en ik herinnerde me een passage over Sternen-Freundschaft bij Nietzsche:
Sternen-Freundschaft. — Wir waren Freunde und sind uns fremd geworden. Aber das ist recht so und wir wollen's uns nicht verhehlen und verdunkeln, — als ob wir uns dessen zu schämen hätten. Wir sind zwei Schiffe, deren jedes sein Ziel und seine Bahn hat; wir können uns wohl kreuzen und ein Fest miteinander feiern, wie wir es getan haben, — und dann lagen die braven Schiffe so ruhig in Einem Hafen und in Einer Sonne, dass es scheinen mochte, sie seien schon am Ziele und hätten Ein Ziel gehabt. Aber dann trieb uns die allmächtige Gewalt unserer Aufgabe wieder auseinander, in verschiedene Meere und Sonnenstriche und vielleicht sehen wir uns nie wieder, — vielleicht auch sehen wir uns wohl, aber erkennen uns nicht wieder: die verschiedenen Meere und Sonnen haben uns verändert! Dass wir uns fremd werden müssen, ist das Gesetz über uns: eben dadurch sollen wir uns auch ehrwürdiger werden! Eben dadurch soll der Gedanke an unsere ehemalige Freundschaft heiliger werden! Es gibt wahrscheinlich eine ungeheure unsichtbare Kurve und Sternenbahn, in der unsere so verschiedenen Strassen und Ziele als kleine Wegstrecken einbegriffen sein mögen, — erheben wir uns zu diesem Gedanken! Aber unser Leben ist zu kurz und unsere Sehkraft zu gering, als dass wir mehr als Freunde im Sinne jener erhabenen Möglichkeit sein könnten. — Und so wollen wir an unsere Sternen-Freundschaft glauben, selbst wenn wir einander Erden-Feinde sein müssten. (FW IV, 279)
'Nee,' zei Van Tongeren, 'dat zegt me niets.'

Later bezocht ik Tilburg voor de openbare discussie. Ik vroeg Van Tongeren hoe het besloten deel was verlopen. 'Nou, ik vond dat Derrida weinig nieuws zei. Hij parasiteerde wel erg op ideeën van anderen.'

Een wieltjesplakker dus. Derrida antwoordde bij de discussie zelf op die aantijging: 'All my words are parasitical, and yours as well.'

Weer dus het thema van de taaldiefstal en de filosoof die zich in die positie plaatst. Nu weet u ook bij wie ik die idee vandaan heb, hoewel Roland Barthes hem al eerder verwoordde. Ook hebben we gezien dat je volstrekt eenzaam bent (zoals Van Tongeren beweerde) en als er al vriendschap mogelijk is, het deze eenzaamheid niet opheft. Nee, wij moeten onszelf opheffen, verheffen, zegt Nietzsche hierboven, tot deze gedachte.

We begrijpen nu ook beter waarom vriendschap samengaat met zwijgen. Ik heb me vaker mateloos geërgerd aan filosofen die ik overigens hoogachtte, die er prat op gingen dat ze met Derrida hadden gewerkt en wisten wat hij met zijn filosofie bedoelde. Jaloezie, jazeker. Maar ook had ik achting voor de idee van zwijgen over vriendschap. Overigens hadden die filosofen vast wel gelijk als ze zeiden dat ik Derrida niet goed uitlegde en dat ik maar in de war raakte van zijn filosofie.

Behalve fascinatie speelde misschien mee dat ik Derrida als een epische held of een vaderfiguur zag zoals ik eerder Sartre en Lyotard had gevolgd. En precies dit model probeerde Derrida ter discussie te stellen door in Politiques de l'amitié vriendschap van broederschap te onderscheiden. Dat is toch opmerkelijk voor deze godfather van de deconstructie, een onderscheiding zonder contaminatie.

Laten we Derrida's eenzaamheid dus respecteren en de vriendschap reserveren voor de sterren of grote schepen. Over mijn vriendschappen doe ik er verder het zwijgen toe. Wat onverlet laat dat we kunnen doorpraten over vriendschap in algemene of filosofische zin.

Die algemene, abstracte vriendschap is een spook, zo zou je Derrida (maar u weet nu hoe onbetrouwbaar ik ben als Derrida-uitlegger) kunnen interpreteren. Wanneer vriendschap bestaat in de herinnering aan vroeger, of in de herinnering op de wederzijdse dood waarop je anticipeert, dan raken de grenzen tussen dood en leven diffuus, grillig, onverifieerbaar. Die spoken kun je op allerlei manieren tegemoet treden. Je kunt ze bezweren, verwelkomen, je kunt ze gebruiken voor een oneindige rouw over de ander, een rouw zelfs over de rouw omdat het onmogelijk is te rouwen over iemand waarvan je meent dat die nog leeft.

En zo zit ik dan naar de Tour te kijken en erover te schrijven, wellicht zonder vriendschap maar wel bespookt door vriendschap. Ik zie Mollema van Trek in de laatste kilometers ontsnappen en Gesink van Lotto-Jumbo gaat achter hem aan, een parodie van de Sternen-Freundschaft van de Rabo-tijd en als Ten Dam ook nog zijn duit in het zakje doet, van de hype Bau en Lau van vorig jaar.

Als je wint, heb je vrienden. Majka wijst naar zichzelf als hij over de meet komt, maar in de herhaling zie ik dat hij naar beide sponsornamen op zijn shirt wijst. Waarschijnlijk bedoelt hij dat hij zijn overwinning te danken heeft aan zijn team of die overwinning opdraagt aan zijn team. In het interview zijn er allerlei misverstanden. Majka begrijpt niet dat hem gevraagd wordt of deze overwinning mooier is dan de twee van vorig jaar en begint over ploeggenoten Basso en Contador. Ook noemt hij zijn vrouw en kind die vast thuis voor de buis hangen. Zou Majka niet toch stiekem naar zichzelf gewezen hebben, zoals Ronaldo dat doet als hij gescoord heeft, maar dan slimmer?

Het is ondoenlijk de Tour te interpreteren volgens de Derridiaanse idee van vriendschap, zoals het al onmogelijk was om de eenzaamheid aan te wijzen. Je kunt ook zeggen dat er in die hele Tour nergens een spoor van eenzaamheid en vriendschap te bespeuren is, alleen maar spoken.

Toch is alleen die vriendschap van belang. We kunnen de Tour niet begrijpen zonder de vriendschap die hem draagt en ontregelt. Twee opmerkingen daarover.

De eerste is het stilzwijgen van de grote filosofen over de Tour en andere grote sportevenementen. Dat zwijgen is geen teken van arrogantie of minachting. Het is bekend dat de jonge Derrida ambities had om profvoetballer te worden. En met Heidegger in zijn nadagen kon je volgens Safranski een goede boom opzetten over de kwaliteiten van Beckenbauer. Maar bij mijn weten heeft Heidegger zich in het openbaar nooit over sport uitgelaten. Dit zwijgen staat echter de vriendschap niet in de weg, zoals we zagen. Het maakt die vriendschap ook niet mogelijk. Het is geen spoor of teken van vriendschap, en Derrida heeft vaker gezegd dat de beste manier om iets geheim te houden is uitvoerig erover praten. Praten als de beste, maar niet de enige, manier om te zwijgen. We moeten ons dus eigenlijk door het hele oeuvre van deze grootheden ploegen, inclusief hun zwijgen en het verzwegene, om hun vriendschap met de sport te begrijpen. Een enkele verklaring hier of daar is volstrekt onvoldoende. Maar omdat ook het filosofische oeuvre zonder het zwijgen niets verklaart, raken we ontregeld, ontregeld door de filosofie van de Tour.

Tweede opmerking. Onze liefde (vriendschap) voor de Tour kan duiden op verdringing, rouw zonder rouw, rouw over de rouw. We denken even niet aan het wereldleed en het persoonlijke leed, aan de vrienden die we ooit hebben verloren. Of we denken er juist wel aan, omdat die rouw ons ontregelt. Ik denk aan Han die in zijn nadagen nog fanatiek fietste en met wie ik mijn eigen Tour heb gefietst, ook eenmaal of vaker met Henk erbij, met onze ploegentijdritten van Amersfoort naar Utrecht en de beklimmingen van Ardennenhellingen. Als ik dus zeg of verzwijg dat ik houd van de Tour, dan weet ik niet waarvan ik houd, van wie ik houd. Liefde maakt blind.

Een vriend schreef in onze studietijd eens een werkstukje over de Mythologies van Barthes, met bijzondere aandacht voor de Tour-episode. Hij meende zeker te weten dat Barthes wel een enorme liefde voor de Tourhelden had, dat kon je aanvoelen als je het las. Daarover doordenkend kom je uit bij de liefde van de filosoof voor datgene wat hij bekritiseert. De liefde van het spook voor wat het terroriseert. Je ziet het gruweltheater van Wagendorp in een ander, liefdevol licht.

Conclusie: vriendschap voor de Tour en volgens de Tour bestaat niet. Je ziet alleen maar professionele samenwerking, verraad, moraal, plicht, vergeving, rouw, verslaving, fascinatie, broederlijke rivaliteit, maffiose dreiging met omertà, hype, nostalgie, fanatisme, nationalisme, commercie, familie-idylle, afrekeningen, wraak. Romantische dweepzucht met dit alles, zoals bij Wagendorp. Hypokriete kritiek op dit alles, zoals bij Ten Bossche.

De Tour demonstreert de onmogelijkheid van vriendschap. Laten we ze - de Tour en die vriendschap - koesteren en overdenken.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ik leg het je nog één keer uit

Bijna geen woord richt meer schade aan dan uitleggen. Hoezo? Dat zal ik je uitleggen. Een of andere Franse filosoof heeft een keer uitgele...